H.G. Meijer

Henny Meijer is een van de autoriteiten in Nederland op het gebied van de Faleristiek. Zijn kennis is uitgeberid gedocumenteerd in de literatuur. Met zijn verzameling onderscheidingstekens levert hij regelmatig een bijdrage aan belangrijke exposities over ridderorden. Zijn onderzoek is er op gericht vergeten zaken aan het licht te brengen en de begripsvorming betreffende vormgeving en draagwijze te uniformeren.

Hij is drager o.a. van lid van Orde van Oranje Nassau , de medaille en kruis van verdienste van de Bond van wapenbroeders. 

Zijn uitgebrachte literatuur omvat naast het secretariaat voor de SHOH en BVWB.  1997, Meijer, H. G.en A. Bovenberg, Honours Galore catalogue of an exhibition on the occasion of students and collectors of awards in Palace het Loo, Apeldoorn the Netherlands  Limited edition 100 Edited by C.P. Mulder

1977, Het vliegerkruis, voor initiatief, moed en volharding De Bataafse Leeuw Amsterdam.

1984, Meijer, H.G., Mulder, C.P., Wagenaar, B.W., Orders and Decorations of the Netherlands, Venray.

1990, Meijer H.G., Bronzen Leeuw Bronzen Kruis, Amsterdam  

2000, Meijer H.G.  Koning Willem I en de Orde van St. Jacob, Meijer prod. Venray

2001, Meijer H.G. Kroniek van het geslacht van Lynden naar C. Butkens Meijer prod. 2001 Venray

2004, Meijer H.G., Terugblik in dankbaarheid 1984-2004. Bond van Wapenbroeders Afdeling Venray en omgeving.

2009, Meijer H.G.,  De gespen voor krijgsverrichtingen 1846-2008.  Venray en Breda.

Henny Meijer overleed op 9 april 2015, een groot verlies voor de wetenschap.

 

 

 

 

 

Draagwijzen door de eeuwen heen

Draagwijze Ridderlijke- en Ridderorden en Onderscheidingen door de eeuwen heen

 

Deel I

door H.G. Meijer

 

 

Eerdere publicaties over de draagwijze van Ridderlijke Orden, Ridderorden en Onderscheidingen zijn toegespitst op de huidige draagmethode en de ontwikkelingen die dat hebben beïnvloed, vanaf ca 1815.

Reliefwerk van de Romeinen, gemaakt voordat Ridderlijke Orden en Ridderorden werden ingesteld tonen het dragen van onderscheidingen. Omdat de Romeinse methode en decoratiestelsel uniek mag worden genoemd en qua symboliek is terug te vinden in latere onderscheidingen, beperkt deze studie zich tot een overduidelijke illustratie van hun draagmethode.

 

 

 

 

 

Grafsteen van de Romeinse Hoofdman Marcus Caelius van het 18e Legioen, gesneuveld 9 na Christus)

Duidelijk zichtbaar zijn de verschillende phalerae, plakken gedragen aan een lederen tuig over zijn borstplaats en zijn krans om het hoof, hals en schouders evenals om de pols.


                             

 

De overwinnaar van Breda de Hërauguieres                                     De legendarische Admiraal Horatio Nelson

Met zijn gouden erepenning (Turfschip, 1590)                                                             (1758-1805)

 

Het dragen van beloningspenningen op de borst was eeuwenlang nauwelijks onderhevig aan usance.

 

Daarom een poging om de draagmethode vanaf het ontstaan van de ordeversierselen in kaart te brengen.

We praten dan over de Geestelijke Orden van Adellijke Militaire en Hospitaalridders, die ontstonden nadat na het Concilie van Clermont Ferrand in 1095 de Franse paus Urbanus II zich tot de ridderschap wendde met een krachtige oproep om het heilige Graf in Jeruzalem te bevrijden.

De belangrijkste Ridderorden uit die tijd waren:

 

Orde van het Hospitaal van St. Jan te Jerusalem

(later Johannieterorde, Orde van Rhodos en Maltezerorde), 1048 / 1099 / 1120

Orde van de Tempeliers, 1128

Ridderlijke Duitse Orde, 1190

Zwaardbroeders van de Orde van Livland (Oostzeegebied), 1237

Portugese Orde van St Jacob, 1170

Orde van Alcantara, Spanje, 12 e eeuw.

 

In deze studie is het bijna onmogelijk een beknopte geschiedenis te schrijven over deze orden, die dikwijls van standplaats wisselden, opgeheven werden en weer opnieuw werden ingesteld.

De belangrijkheid van deze Orden zijn voor De Lage Landen, de oudste Republiek in Europa pas van latere datum, waardoor de draagwijze van ordetekens, verdeeld in klassen, niet meer past in de oorspronkelijke versie.

In Nederland zijn pas veel later afgeleide Ridderlijke Orden opnieuw ingesteld, die allen naar de rijke geschiedenis verwijzen van de Hospitaal Ridders en Tempeliers, die tijdens de kruistochten menslievendheid en bescherming boden aan de pelgrims, die het Heilige Graf in Jeruzalem wilden bezoeken.

 

 

Johannieter Orde in Nederland  Ingesteld in 1910 na een initiatief van Prins Hendrik der Nederlanden als Orde van Sint-Jan en sinds 1946 uitgeroepen tot onafhankelijke Orde, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 5 maart 1946 nr. 33. Bij K.B van 10 september 1958 nr. 41 in naam gewijzigd: Johanniter Orde in Nederland.

Door kenners wordt deze Orde beschouwd als de protestante tak van de aloude Ridderlijke Orde van het Hospitaal van Sint Jan te Jerusalem.

 

Nederlandsche Balije van de Soevereine en Militaire Orde van Malta

In 1910 werd na onderhandelingen de Nederlandsche Balije der Orde opnieuw ingesteld onder de naam Afdeling Nederland van de Soevereine Orde van Malta bij Koninklijk Besluit van 20 januari 1911. Dit herstel werd op 3 augustus 1911 te Utrecht met grote luister gevierd. o.a. in de St. Cathryne Kerk – vier eeuwen eerder door de Maltezer Ridders gesticht- in bijzijn van de Aartsbisschop van Utrecht.


Alleen leden van R.K. Adellijke families die voor de Franse Revolutie tot de Adel behoorden, kunnen worden toegelaten.

 

 

 

Kapittel van de Nederlandsche Balije der Soevereine Orde van Malta 1913.

De draagwijze was 20e eeuws.

 

Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht.

De minst bekende van deze drie Ridderlijke Orden. In 1231 werd een begin gemaakt van een balije Noordelijke Nederlanden, gevestigd in Utrecht. In 1637 scheidde de balije Noordelijke Nederlanden zich af, werd bijna opgeheven door Napoleon doch door Koning Willem I bij wet van 18 augustus 1815 veilig gesteld, verbeurt verklaarde bezittingen teruggegeven en de rechtspositie der Orde geregeld, het oppergezag van de Duitsche Orde is voorbehouden aan de koning (in).

 

                                                           

               

        Johanniter Orde in Nederland                                                          Ridderlijke Duitsche Orde,

                ZKH Prins Hendrik,                                                                         Balije van Utrecht.

                            Commendator 1909-1934                                                             A.W.J.J. baron van Nagell,

                                                                                                                                      69e Landcommandeur

 

Bij de opkomst van de monarchieën ontstonden de Monarchale- en Adellijke Orden, ingesteld en bedoeld om de machtig geworden adel aan de monarch te binden. Kenmerkend is dat de versierselen luxer uitgevoerd werden, gekopieerd met soms voorzien van edelstenen, vooral die Orden, die uitgereikt zijn aan gekroonde hoofden.

Dit vooral gedurende de Renaissance (14e-16e eeuw). In de 17e eeuw worden de meeste ridderlijke orden werelds en worden de statuten gewijzigd om klassen toetevoegen, waardoor zij toegankelijk worden voor verschillende standen. Die laatste ontwikkeling zal in een volgend deel worden behandeld.


Orde van Sint Jacob van Holland, 1279.

Ingesteld door Floris V, graaf van Holland en Friesland.

Ordearchief ontbreekt, waardoor twijfel ontstond bij latere historici. De Orde werd blijkbaar niet bevestigd door de Paus, noch gerestaureerd door latere vorsten. Blijkbaar is daar sprake van geweest in 1815 door Koning Willem I, gezien archiefstukken, waaronder een schets van een ordeteken. Doch Willem I koos niet voor een restauratie doch voor De Militaire Willems-orde (1815 met de symboliek van het Bourgondische kruis en van de Bourgondische Orde van het Gulden Vlies, de vuurslag) en de Orde van de Nederlandse Leeuw (1815)

 

                              

 

Ridder Orde van St. Jacob in Holland op het Binnenhof.                 Keten Orde van St. Jacob om Familiewapen.

                    ( Ets uit Adriaan Schoonebeek 1697)                                             (Bron: J.R. Krudop van Ruwiell)

 

 

Christusorde van Portugal, 1317/1318.

De drie Portugese Orden; Orde van Christus, Orde van St, Jacob en de Orde van Avis waren oorspronkelijk geestelijke orden. Sinds de jaren 1789 zijn deze drie in wereldlijke orden gewijzigd.

 

 

 

D. Joäo IV, Koning van Portugal (1604-1656)

Draagt de Christusorde aan een rood lint.

Plafond schiderij Sala dos Duques Portugal.


De Christusorde was eigenlijk de voortzetting van die van de tempelridders opgeheven door de paus in 1312

De naamwijziging volgde in 1317 en werd in 1319 bevestigd door Paus Johannes XXIII. En de tempeliers kregen onder een andere naam hun rechten terug. Het zou de nuttigste en rijkste orde van Europa worden doordat deze Chritusorde de ontdekkingstochten financierde en als dank de vruchten van deze nieuwe gebieden in Indië en in Afrika mochten plukken. Dit had uiteindelijk tot gevolg dat het grootmeesterschap der orde voor altijd met de kroon van Portugal verenigd werd. Het ordekruis werd gedragen aan een driedubbele gouden keten bij plechtige gelegenheden waarbij de ridders witte mantels droegen met op de linkerzijde het ordeteken opgeborduurd. Normaal wordt het kruis aan een rood lint gedragen. Pas in 1789 werden drie klassen ingevoerd.

 

 

Orde van de Kousenband van St Joris, Groot-Brittannië, ook wel genoemd Orde van de blauwe Kousenband, waarschijnlijk 1348.

The Most Noble Order of the Garter.

De meest prestigieuze orde, door haar lange onafgebroken duurzaamheid en de steeds spaarzame uitdeling.

De Orde werd ingesteld door Koning Edward III (1327-1377). Er ontbreekt dus informatie uit het Ordearchief.

Britse geschiedschrijvers hebben het ontstaan en de aanleiding meermaals beschreven doch sommige van hun aannamen lijken meer op een romantische legende en zijn dus slechts vermoedens.

In de statuten van de orde staat dat Eduart III deze orde “ter ere Gods, der heilige maagd en des heiligen martelaar George, de beschermheilige van Engeland, in het 23e jaar zijner regering (1350) had gesticht”

De gouden keten werd door Koning Hendrik VIII (1509-1547) ingevoerd. De keten had 26 schakels, zinspeling op het maximum aantal ridders. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er jaarlijks processies in relatie met installaties van ridders in de George kapel in Windsor.

In 1985 werd Koningin Beatrix als ridder geïnstalleerd. De versierselen van haar grootmoeder Koningin Wilhelmina, die moesten worden teruggegeven, bevinden zich na succesvolle onderhandelingen, op Paleis Het Loo.

 

             

 

 

 

        Ridderdag op Windsor Castle, waarbij                                                Ridderdag op Windsor Castle.

        de traditionele ridderkostuums  van de                                       Ridder Beatrix der Nederlanden loopt voor

     Orde van de Kousenband worden gedragen.                                    Ridder  Margerethe van Denemarken.

 

 


Orde van Sint Antonius in Holland, 1382.

 

Oude historieschrijvers vermelden dat Albrecht van Beieren, als ruwaard,  plaatsvervanger van zijn krankzinnig geworden broeder Willem V diens landen Holland, Zeeland en Henegauwen bestuurde in Henegouwen een ridderlijke Sint-Antoniusorde zou hebben gesticht. Het ordeversiersel was een z.g. klokkekruis, voor al bekend door de afbeelding ervan op een portret van Jacoba van Beieren. Het versiersel hing aan een ketting. Weinig gegevens over de draagwijze kunnen in dit artikel worden toegevoegd.

 

 

 

 

 

 

Het bekende portret van Jacoba van Beieren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen.

Zij draagt het kruis van de Sint-Antoniusorde. (Hollandse School 15e eeuw).

Rijksmuseum Amsterdam. In dit museum vinden we een zelfde portret van Franck van Borselen, graaf van Oostrevant (ca 1394-1473), vierde echtgenoot van Jacoba van Beieren. Op dat portret draagt hij ook de Sint-Antoniusorde aan een zelfde ronde ketting als afgebeeld bij Jacoba van Beieren. In Berlijn vinden we een portret van Jan van Eyck (ca 1390-1441) Man met anjer, getooid met het kruis van de Orde van Sint-Antonius. Ook hier hangende aan een ronde ketting.


Orde van het Bad, Groot Brittannië, 1399.

The Most Honourable Order of the Bath.

 

 

 

 

Versierselen op de mantel van de Orde van het Bad.

 

 

 

 

Oorspronkelijk ingesteld als militaire Orde, waarschijnlijk in 1399 De Britse geschiedschrijvers zijn het er niet overeens of dit door Koning Richard II (1377-1399) of door zijn opvolger Hendrik IV (1399-1413) werd gesticht.

Hendrik IV benoemde bij zijn kroning 46 ridders, terwijl Koning Hendrik V (1413-1422) in 1413 ook 32 ridders benoemde waaronder zijn zevenjarige zoon, die in de Tower of London zou worden vermoord en dus nooit gekroond werd. Dit benoemen bij hun kroning werd een gewoonte en was voor het laatst door Karel II (1649-1685) in 1661. In de onrustige perioe hierna raakte de Orde van het Bad in de vergetelheid totdat hij op 7 juni 1725 door Koning George I (1714-1727) werd hernieuwd, veranderd en als orde van verdienste werd toegekend. Dit duurde tot 1815 toen drie klassen werden ingevoerd. Max. aantal Grootkruis 72, Kommandeurs 180 en geen maximun voor de ridders 3e klasse. Het ordeteken heeft bij deze hervormingen geen verandering ondergaan.

Door Koningin Victoria (1837-1901) werd een “civil division” ingesteld voor niet-militairen. Het Ordeteken werd geborduurd gedragen op een roodpaarse mantel. Later werd de ordeketen ingesteld waaraan het metalen witgeëmailleerde ordeteken hangt.

 

Orde van het Gulden Vlies, Bourgondië, 1430-1559/1714.

 

 

 

Filips de Goede, hertog van Bourgondië (1396-1469)

Stichter van de Orde van het Gulden Vlies

Museum voor Schone Kunsten, Groeningemuseum Brugge.

 

Keizer Karel V (1519-1556)  in het tenue van d Orde van het Gulden Vlies.

 

Van deze Orde van het Gulden Vlies zijn de archieven met de registers bewaard gebleven. Dit in tegenstelling tot alle andere tijdgenoten van de Orde.

                De eerste zes souvereinen en Grootmeesters van deze Orde zijn:

                Filips de Goede (1419-67) Hertog van Bourgondië

                Karel de Stoute (1467-77) Hertog van Bourgondië

                Maximiliaan  I (1477-82) Hertog van Bourgondië, Duitse Keizer (1493-1519)

                Filips de Schone (1482-1506)  Filips I, Koning van Spanje

                Karel V.(1519-1556) Keizer van Duitsland

                Filips II (1556-98), Koning van Spanje

Filips II verplaatste in 1559 de Orde naar Spanje en sindsdien behoort de Orde tot de Spaanse troon.

               

Om praktische reden beschouwen we in deze studie de periode 1430-1700.      

Deze Orde is ongetwijfeld het meest afgebeeld op schilderijen, sculpturen en etsen.

Na de dood van de Spaanse koning Karel II, de souverein van deze Orde, begon het uiteenvallen               van zijn rijk. De z.g. Spaanse successieoorlog (1701-1714) brak uit, beëindigd met de vrede van Utrecht (juni 1713). .Spanje viel ten deel aan Filip V van Anjou, terwijl Karel VI de Oostenrijkse Nederlanden en de Spaanse bezittingen in Italië verkreeg. De aanspraak op de souvereiniteit over de Orde kwam niet tot een duidelijke oplossing. Herziene statuten door Karel VI, waarin o.a. het aantal ridders beperkt tot de oorspronkelijke 50, leidde tot een situatie van twee verschillende Orden van het Gulden Vlies, de Spaanse- en de Oostenrijkse, die bestaan tot de dag van vandaag. De geschiedenis bepaalde dat de Spaanse de meest prestigieuze doch niet de meest exclusieve werd.

De Spaanse Koning Juan Carlos heeft de Orde van het Gulden Vlies ook aan drie vorstinnen geschonken: Koningin Beatrix, Koningin Elisabeth II, Verenigd Koninkrijk en Koningin Margerethe van Denemarken. De Oostenrijkse Orde van het Gulden Vlies kan alleen aan Rooms Katholieken mannen worden verleend.

 

          

 

               Onderdeel van een portret van Keizer Karel V.                   Koningin Beatrix met de Orde van het Gulden Vlies

          Afgebeeld in hofkledij. Het Gulden Vlies hangt aan                                Gulden Vlies aan Orde Keten

                  aan een eenvoudiger ketting dan de keten.                                       Staatsbezoek Spanje in 1985.

                    Door J. Siessenegger, 1532, Wenen.

 

Hubertusorde van Beieren, 1444.

Ingesteld door Hertog Gerard V in 1444 als beloning voor zijn ridders, een aandenken van de merkwaardige overwinning op Hubertusdag bij Ravensberg Westphalen, waarbij hij zijn neef Arnold versloeg. De familieruzie ging over een erfenis van Rainald IV, Hertog van Gulik en Geldren.

De Hubertusorde raakte in de vergetelheid en werd pas in 1709 door keurvorst Jan Willem van de Paltz in het bestaan teruggebracht. De keurvorst van Karel Theodoor van Beieren bevestigde de gewijzigde statuten en breidde deze uit. Pas in 1808 werden zij opnieuw herzien en naar tijdsomstandigheden gewijzigd.

Het maximale aantal ridders was 12 leden, die tevens het ordekapittel uitmaakten.

Door dit geringe aantal is het vinden van afbeeldingen van de draagwijze een moeilijke zaak.

 

 

                           

 

   Versiersel Hubertusorde                                  Riddercostuum Hubertusorde

 

 

Koning Christian IV van Denemarken

 draagt de orde van de Olifant (ca 1640)

 

Orde van de Olifant van Denemarken, 1458 of eerder.

 

Het oudste deel van het ordearchief ontbreekt. Historici in Denemarken willen Kanut VI eind 12e eeuw als stichter zien terwijl anderen na zijn terugkomst van een strijd tegen de Saracenen. De Deense regering houdt het op begin 14e eeuw door Koning Christiaan I. Doch de Orde werd vernieuwd door Koning Christiaan I in 1458 en liet dat bevestigen door Paus Pius II en Sixtus IV in 1462 en 1464 bevestigen. Deze orde is naast de Order van de Kousenband en het Gulden Vlies de aanzienlijkste in Europa “omdat haar bestaan onafgebroken, en de uitgifte spaarzaam en met omzichtigheid heeft plaats gevonden”. Het huidige Ordeteken werd in 1693 vastgesteld. En het max. aantal ridders op 30 gebracht. Daarvoor hing aan de ordeketen “het beeld van de maagd Maria met het Christuskind op de arm”. Ridders moesten in 1693 volgens de statuten de Lutherse godsdienst belijden.

 

 

                                

          Orde van de Olifant, Denemarken.                                                  Orde van de Olifant met Keten.

          Oudst bekende versiersel, ca 1580.                                                             Versiersel uit 1693.

 


Orde van St. Michael van Frankrijk, 1469 later opgevolgd door

Orde van de Heilige Geest, Frankrijk, 1578

 

Opneming in de Orde van de Heilige Geest (ingesteld 1578) van Graaf de Longueville door Koning Lodewijk XIII.

(Schilderij van Ph. De Champaigne)

 

 

 

 

L’Ordre du Saint-Esprit, ingesteld door Koning Henri III in 1578.

 

Omdat de fotografie pas opgang vond na ca 1850 zijn bronnen beperkt tot beschrijvingen, schilderijen, etsen, reliefwerk, beelden en borstbeelden. Hieruit blijkt dat er een ontwikkeling is geweest van de ordetekens en dat deze ordetekens verschillend waren qua uitvoering en soms verschillend in aantal.

Klassen waren er nog niet, dus de versiersels lijken allen op (de latere hoogste klasse) Grootkruis.

Wat tevens opvalt, was de draagmethode op het speciale ridderkostuum, met al zijn pracht en praal, anders was dan de draagwijze op normale (hof) kleding.

Samenvatting van deze observaties:

Draagwijze kort na de instelling zijn meestal niet vereeuwigd.

Diverse orden zijn na hun instelling gerestaureerd/opnieuw ingesteld of gesplitst.

Ordetekens aangebracht op mantels (duidelijk herkenbaar).

Ordetekens geborduurd, op mantel of op borst.

Ordetekens van edelmetaal (edelsmidkunst).

Kopieën van ordetekens verfraaid met edelstenen.

Ordetekens, hangend aan een bijbehorende draagketen van meestal latere datum.

Ordetekens, hangend aan lint, keten of koord (ter vervanging van de ordeketen).

Meerdere ordeversierselen later  toegevoegd, zoals Orde van de Kousenband (ordeteken, de z.g.  George

aan draagketen, ordester, sjerp met ordeteken, z.g Lesser George, kouseband).

 

In Deel II zullen we de latere ontwikkelingen behandelen.

 

 

                 

 

    Orde van het Gulden Vlies met edelstenen, gemaakt                          Ordeteken van Orde van de Kouseband met

              door door JohannBaptist Stapf in 1765                                                        meer dan 200 karaat  aan diamanten

                (Collectie Schatzkammer Munchen)                                                Koning George IV (1672-1830)

 

 

 


 

 

Kroningsportret van Koning George IV van Sir Thomas Lawrence, 1820.

Op zijn gewaad draagt hij vier ordeketens met ordeversiersel:

Orde van het Gulden Vlies (Spanje)

Orde van Guelph, Royal Order of the Guelph (door hem zelf ingesteld in 1815)

Orde van het Bad, Most Honourable Order of the Bath

Orde van de Kouseband,  Most Noble Order of the Garter.

 

Over ketens, sjerpen en grootkruislinten.

 

 

 

 

H.M. Koningin Beatrix met de Ordeketen van de Orde van het Gulden Vlies.

De andere personen op de foto dragen het Grootkruislint met het versiersel op de linker heup.

De traditionele rode sjerp is zichtbaar om het middel van Koning Juan Carlos van Spanje.

 

In de Nieuwsbrief 2008 werden enige afbeeldingen getoond waarop de persoon een sjerp droeg. Opmerkzame lezers zullen het verschil zien van sommige sjerpen ten op zichte van grootkruislinten.

Daarom deze korte toelichting.

Zoals we in het vorige artikel konden leren bestond er voor een Ridderlijke Orde zoals de Orde van het Gulden Vlies een officiëel draagteken, afgebeeld aan keten, halssnoer of lint. Niet iedere keten was van een Ridderlijke Orde omdat sommige vlootvoogden een keten droegen ten teken van hun rang (Admiraal) of als Beloningspenning voor behaalde successen in de strijd met de vijand.

Toen in de 18e eeuw de ridderlijke orden ridderorden werden, door het toevoegen van klassen, werd de hoogste klasse Ridder 1e Klasse of Ridder Grootkruis en het versiersel van de orde werd voortaan aan een grootkruislint gedragen en bevestigd op heuphoogte. We komen hierop nog terug.

Een ander soort sjerp, die werd gedragen was een veldteken, een verzamelnaam voor alles, wat officieren zowel als gewone soldaten te velde moesten dragen om elkaar te herkennen in ontmoeting met de vijand. Hieronder telt men sjerpen, armbanden, degenkwasten, op het hoofddeksel gestoken takjes, strikjes e.d.

In de periode 1525-1550 kwamen sjerpen in gebruik, die de op de kleding genaaide en op harnas geschilderde kruisen- wit voor Fransen en Zwitsers, rood voor Engelsen en schuinstaande kruisen voor Duitsers- vervingen. Sjerpen hadden het voordeel dat ze gemakkelijk om- en afgelegd konden worden, eventueel om de vijand met een krijgslist in verwarring te brengen. De sjerpen waren van sindaal en taft, maar vooral van zijde gemaakt. Soms waren zij versierd met goudborduursel en franje, een enkele keer verrijkt met edelstenen en parels. Sjerpen werden op verschillende manier gedragen, waarbij “mode” en landsaard een rol speelden.

De oorspronkelijke manier was het dragen van de sjerp “om de hals” d.w.z. over linker- of rechter schouder naar de tegenover gelegen heup, waar ze met lang afhangende einden in een knoop waren vast gemaakt. Omdat ook de degen aan een bandelier over de rechter schouder werd gedragen ontwikkelde zich een gebruik, de sjerp als een gordel om het middel te dragen. De oude methode bleef in de regel gehandhaafd, ook buiten het gevecht.

 

Militaire voorschriften bepaalden de draagwijze van de sjerp. Tot het einde van de achttiende eeuw droegen in Engeland infanterieofficieren de sjerp rechts, cavalerieofficieren links. In Pruisen en Hannover bestond vanaf 1764 het voorschrift om sjerpen rond het middel te dragen. Rond 1800 dienden Saksische Cheveau-legerofficieren ervoor te zorgen dat de samengebonden einden van de sjerp over de rug hingen. Sinds de bepaling uit 1829 mochten in Zweden bij het dansen geen sjerpen meer gedragen worden. Toen de uniformering volgens vaste regels voor de legers definitief werd werden sjerpen als partijembleem overbodig in het gevecht; het werd een recht van officieren er een te kunnen dragen.

 

 

 

De rode keizerlijke sjerp en het rode Bourgondische takkenkruis sinds 1530.

Illustratie uit Armentaria Aflevering II 1967.

 

Oorspronkelijk was iedere aanvoerder gerechtigd eigen kleuren te kiezen, die dan weer ontleend waren aan het familiewapen. Rood was de keizerlijke sjerp (“imperio” genoemd), zoals sinds rond 1530 het Bourgondische takkenkruis op de vaandels en vlaggen gekleurd werd. De Engelse sjerp was karmijnrood tot in 1648. Na 1658 was ook de Nederlandse sjerp in het eerste stadhouderloze tijdperk rood van kleur.

Geel waren de sjerpen van de protestante oorlogspartijen in Duitsland in 1546, mogelijk ontleend aan de wapenschildkleur en als tegenhanger van de keizerlijke partij tegen de koning van Spanje.

Witte sjerpen werden gedragen door de zich tegen Karel V kerende vorsten, mogelijk ontleend aan de witte kleur van de kruisen op de Franse vaandels.

Oranje was de sjerp van Prins Maurits van Oranje en sinds 1672 de kleur van Nederlandse militairen na het herstel van het stadhouderschap. Ook tijdens het bewind van Koning-Stadhouder Willem III in Groot-Brittannië waren de sjerpen oranjekleurig.

 

 

                      

 

                    De blauwe sjerp van Portugal                                Prins Maurits introduceerde de oranje sjerp (ca 1600)

 

 

Blauw was de Franse sjerpkleur tot Hendrik IV en de Zweedse sinds Gustaaf Adolf alswel die van Portugal..

Groen zag men in Savoye, die vervolgens traditioneel werd in Sardinië, de andere koninkrijken en Italië. Ook de Hongaarse troepen van koningin Maria Theresia onderscheidden zich met groene sjerpen.

Opmerkelijk is het gebruik van zwarte sjerpen in het leger van Gustaaf II Adolf van Zweden.

Tweekleurige sjerpen waren tamelijk zeldzaam. Men vond ze vooral in ons land en het waren dan sjerpen in de stedelijke kleuren (Haarlem, Leiden, Rotterdam enz.). Sjerpen waarop emblemen waren geborduurd, kwamen zelden voor. Enkele gevallen zijn bekend uit krijgsverrichtingen van het Schmalkaldisch Verbond en van regimenten tijdens de tachtigjarige oorlog in de Zuidelijke Nederlanden.

 

 

                    

 

       De oranje sjerp van Prins Frederik Hendrik,                           Admiraal Michiel de Ruyter met oranje sjerp

         “De Stedendwinger” (1632)                                   aan de arm, draagt Franse Orde van St. Michael


 

 

 

Z.K.H. Prins Bernard der Nederlanden draagt op zijn uniform van Generaal van de Koninklijke Luchtmacht twee Ordeketens, het Grootkruislint met Ordester en versiersel van de Orde van de Nederlandse Leeuw en om zijn middel de traditionele oranje sjerp.

Uit: Het Vliegerkruis, voor Initiatief, Moed en Volharding (1997)

 

In de traditie van de Nederlandse krijgsmacht is de sjerp terug te zien in de vorm van een oranje riem rondom het middel. Weinig mensen zullen de gedachte associatie hebben met de sjerp van Prins Maurits.

Voor meer informatie wordt verwezen naar de bekende heraldicus Dr. Ottfried Neubecker in zijn publicatie “Veldzeichen”, door Kl. Sierksma gebruikt in zijn artikel “Militaire Veldtekens” in Mars et Historia 14e jaargang nummer 1 1980.

 

 

 

 

 

 

door H.G. Meijer

Z.K.H. Prins Bernard der Nederlanden

De slag bij Waterloo draagtekens

De Prins van Oranje voort aan.

5. Slag bij Waterloo 1815-2015

5.1 Voor ons collectieve geheugen lijken enige aanvullingen gewenst

Door Henny Meijer.

Het jubileum van het Koninkrijk der Nederlanden wordt in 2015 gevierd. Dit kon ontstaan dankzij de geallieerde strijdkrachten, die de legers van Napoleon, keizer van Frankrijk, op 18 juni 1815 definitief versloegen. Daarna werd usurpator naar Sint Helena verbannen.

Op het Wener Congres werd in oktober 1814 door de overwinnaars van de Slag bij Leipzig, (16-19 oktober 1813), vormende het coalitieleger van Rusland, Pruisen, Oostenrijk en Zweden, het Koninkrijk der Nederlanden vastgesteld. Een grondgebied dat nu als Nederland en België op de kaart staat, samen met de persoonlijke unie van de koning Willem I, het Groothertogdom Luxemburg. Het doel was een sterke staat te stichten die bestand  was tegen toekomstige agressie en  oorlog met Frankrijk. De verenigde staat van het Koninkrijk der Nederlanden, eindigde in de periode 1830-1839. Het Koninkrijk Hannover, werd ook op het Wener Congres vastgelegd. De koning van het Verenigd Koninkrijk, George III, als keurvorst geboren uit de Hannover dynastie werd nu koning van Hannover in een persoonlijke unie. Hannover werd een dominion van het Verenigd Koninkrijk, met de Engelse kroonprins, the Prince of Wales, als regent. Dit hield stand totdat Hannover in 1865 door Pruisen veroverd werd.

5.2 De slag bij Leipzig, 16-19 oktober 1813

Bij Leipzig werd Napoleon verslagen en sloegen zijn legers, achtervolgd door hun vijanden op de vlucht. Aanvoerders van de drie geallieerde legers waren; de Oostenrijkse maarschalk Karl Philipp zu Schwarzenberg, Jean Baptiste Bernadotte ( toekomstig koning van Zweden) en Gebhart Leberecht von Blücher. Kort daarna werden de bezette gebieden, waaronder Nederland, door een aanvoerend Kozakkenleger bevrijd. Napoleon trad af en werd naar Elba verbannen. Het totaal aan manschappen van de ingezette legers in deze volkerenslag is geschat op ca. 600.000.

5.3 Wat is er nog in het Nederlandse collectieve geheugen aanwezig van de Slag bij Waterloo?

Taalkundig kennen we de volgende omschrijvingen zoals:

“Zijn Waterloo vinden"; betekent een definitieve nederlaag lijden. Op 18 juni 1815 werd Napoleon door de Engelsen en Pruisen verpletterend verslagen bij Waterloo, een stadje in Belgisch Brabant, ten zuiden van Brussel (Cultureel woordenboek). Minister-president Balkenende vond zijn Waterloo als gevolg van de verkiezingen op 9 juni 2010.  

De vermelding “door Engelsen en Pruisen” verdient nadere toelichting.Dit wekt de indruk dat er geen noemenswaardig aantal Noord- en Zuid Nederlanders bij betrokken waren. Geen verwaarloosbaar getal want het aantal Nederlandse deelnemers wordt geteld op 28.969.[1] Deze bijdrage is aanzienlijk, evenals de getelde deelnemers uit overige koninkrijken en vorstendommen ten oosten van ons land zoals het Koninkrijk Hannover. De verzamelnaam "Pruisen" is in ons collectieve geheugen gebaseerd op het grote Pruisen dat in de periode 1865-1871 dezelfde expansiedrift vertoonde als hun historische vijand Napoleon.


6. Waarom staan de betrokken mogendheden niet bekend als de Coalitie van Zeven?

(Seventh Coalition) bestaande uit Groot-Brittannië/ Ierland, (meestal aangeduid als Engeland), Noord en Zuid Nederland, Hannover, Nassau, Brunswijk en Pruisen? Naast deze “Coalitie van Zeven” waren er militairen uit 21 andere (Duits sprekende) vorstendommen, zoals de aan hun verleende herinneringsmedailles voor de slag bij Waterloo ons zullen tonen. Mijn conclusie is dat dit te wijten was aan de Engelse dominantie, ondanks de grote Duitse betrokkenheid.

6.1 Waterloo

De opperbevelhebber van deze “Engelsen” (Anglo-Allied Army), C.O. veldmaarschalk Lord Arthur Wellesley, 1ste hertog van Wellington leidde de Britse militairen van de koning van Engeland, Ierland en Hannover. Tevens voerde hij het bevel over de militairen van de koning der Nederlanden, Willem I. Het 1ste Korps stond onder commando van de prins van Oranje. Het Koninkrijk Hannover, als Engels dominion, had zes infanterie brigades, een brigade Cavalerie en twee batterijen Artillerie bij de Slag van Waterloo ingezet. Zij aan zij streden zij met het 1e Korps van de prins van Oranje, Wellington kreeg de titel Veldmaarschalk van het Nederlandse leger na de slag bij Waterloo. In de Britse literatuur worden deze verliezen aangegeven als: ”Total Loss of the British and Hanoverians”. De Nederlanders en de Pruisen zijn apart geteld, overige nationaliteiten worden niet genoemd.

De opperbevelhebber van de Duits sprekende militairen van de Duitse Bond, bestaande uit acht en dertig vorstendommen, (uitgezonderd  Hannover) was de in Mecklenburg-Schwerin geboren, Gebhard  Lebrecht von Blücher, vorst von Wahlstatt. Hij was benoemd tot veldmaarschalk van de legers van de koning van Pruisen. Nog zeer kras en 72 jaar oud, vastbesloten Napoleon te verslaan en te fusilleren.

6.2 Napoleon keert terug

Na de vlucht van Napoleon van Elba wist hij op 1 maart 1815, achthonderd man bijeen te krijgen en volgde “de 100 dagen”, waarin Napoleon weer de macht greep nadat de Franse legers en de bevelhebbers naar hem overgelopen waren. Maarschalk Michel Ney,die Napoleon “in een kooi naar Parijs zou brengen”,  liep met andere maarschalken over naar de keizer en organiseerde het leger weer in de oude vorm. Op 14 juni beschikte Napoleon over 170.000 soldaten.

Het Congres van Wenen had besloten Napoleon definitief onschadelijk te maken en Frankrijk te veroveren. De Britten (45.000 man), Nederlanders (30.000 man) en Pruisen (117.000 man) trokken ten strijde en wachtten verspreid ten zuiden van Brussel op de komende legers van Oostenrijk en Rusland. Napoleon besloot niet te verdedigen, maar koos voor een verrassingsaanval. Hij wilde de verspreide vijandelijke legers scheiden en daarna afzonderlijk verslaan. Zijn leger was groter dan de afzonderlijke tegenstanders, maar in totaal stond hij tegenover een grote overmacht. De confrontatie met zijn vijanden vond plaats in Zuid-Nederland bij Quatre-Bras, een knooppunt van wegen ten zuiden van Brussel, in de buurt van Waterloo. Napoleon gaf zijn Veldmaarschalk Michel Ney opdracht om Quatre-Bras te veroveren. Ney aarzelde dit bevel uit te voeren. De prins van Saksen-Weimar aarzelde niet en nam Quatre-Bras in. Hij  hield stand nadat hij 30.000 man versterking had ontvangen. De Nederlandse-Belgische divisie van luitenant generaal H.G. de Perponcher Sedlnitzky, met 8.000 man, 50 huzaren en 16 kanonnen, kreeg versterking vanuit Brussel. De oprukkende 5e Divisie stond onder bevel van luitenant generaal sir Thomas Picton. Maarschalk Ney werd teruggeslagen en verloor 4.000 manschappen aan doden en gewonden. Napoleon viel de Anglo Allied Army aan en Wellington werd richting de kust gedreven.De zege van Napoleon hing in de lucht. Ney versloeg de Pruisen onder bevel van Blücher bij Ligny. Ondanks het verlies van

20.000 manschappen waren zij niet totaal verslagen. Het grootste deel van de artillerie was behouden gebleven gebleven. Zo gaf Ney Blücher de gelegenheid met zijn resterend leger om omtrekkend naar het noorden te gaan en zich bij de in het nauw gedreven Wellington bij Waterloo aan te sluiten. Paniek sloeg toe bij de Fransen toen zij de Pruisen weer zagen aanvallen (“we zijn verraden”). Napoleon weigerde zijn Garde in te zetten en met deze fout was de strijd verloren. Napoleon moest zijn Armee verlaten, liet een chaos achter en de zege kwam toe aan de geallieerden. De vijanden vielen Frankrijk binnen en zouden dit land vijf jaar bezet houden. De verliezen bij Waterloo bedroegen 72.000 man, waarvan 25.000 Fransen dood of gewond werden. Aan Fransen werden 8.000 krijgsgevangenen gemaakt. Michel Ney werd voor zijn verraad door een krijgsraad ter dood veroordeeld en in Parijs gefusilleerd. Napoleon trad af ten gunste van zijn zoon, de koning van Rome en trachtte via Engeland naar Amerika te ontsnappen. Dit zou niet lukken, in de geblokkeerde haven namen de Engelsen hem gevangen en hij werd verbannen naar St. Helena, een tropisch eiland voor de Afrikaanse kust.

6.3 De omvang van de Slag bij Waterloo was in vergelijking veel kleiner dan die van Leipzig.

Major L.L. Gordon beschrijft in zijn indrukwekkend boek “British Battles and Medals” op blz. 50-51 de Britse regimenten onder de hertog van Wellington, op zondag 18 juni 1815, als 37.430 strijdbare manschappen. Daarvan sneuvelden 137 officieren en 1.975 lagere rangen. Gewond raakten 584 officieren en 7.468 lagere rangen. Als vermist opgegeven zijn 17 officieren en 938 lagere rangen. Het totaal aan Engelse verliezen is berekend op11.125 of te wel 29,7 % van het totaal van 37.430 aan ingezette Britten, Nederlanders en Hannoveranen. Gordon noemt de totale verliezen van de omgekomen Nederlanders 4.136, dit is dicht bij het aantal van Vels Heijn die 4.155 man opgeeft. De totale verliezen van de Pruisen worden door Gordon opgegeven als 33.120 man, van het leger bestaande uit 117.000 man dus drie maal zoveel als de Anglo Allied Army verliezen. N.Vels Heijn[2] telt het aantal deelnemende Nederlanders op 18.969 en als verliezen geeft hij op: 475 gesneuvelden, 2051 gewonden, 2051 vermisten totaal 4.155 dit is 21,9 % van het totaal.

Gaan we uit van 30.000 deelnemers dan is dit 7,09 %.[3] Waterloo werd de definitieve nederlaag van Napoleon en het einde van een rampzalig keizerrijk. Napoleon, leverde 80 veldslagen waarbij 1,8-2 miljoen Fransen en bondgenoten soldaten en burgers het leven lieten.[4] (Alain Pigeard).

In Nederland is de slag bij Waterloo nauwelijks meer terug te vinden.[5] Er zijn de vernoemde straatnamen. We kennen het Waterlooplein in Amsterdam, de Waterloostraat in Rotterdam/Kralingen, in Den Haag, Breda, Steyl, Herenthals en Berchem. Dit is een schril contrast in vergelijking met de naamgeving van bij voorbeeld de held, schout bij nacht Karel Doorman in ons straatnamenbestand. Moet de nederlaag hoger in ons collectief geheugen geplaatst worden dan de overwinning, waaraan we onze staatsvorm te danken hebben? Is er geen waardering? Oorzaak is het communicatief en cultureel vermogen in de literatuur omschreven.[6]

 

7. Erkenning voormalige Waterloo-strijders

7.1 Zilveren kruis

Met de erkenning van de voormalige Waterloo-strijders is het eveneens droevig gesteld. Deze veteranen ontvingen hun erkenning pas in 1865 toen zij onderscheiden werden met het Zilveren Kruis 1813-1815. Het Nederlandse gezegde “In Nederland gebeurt alles 50 jaar later” is hier ook van toepassing. Een faleristieke gebeurtenis, weliswaar 50 jaar later, is beter laat dan nooit!

 

Zilverenkruis 1813-1815

(186 Speld van een Nederlandse oud-strijder 1813, 1815 en 1830/31                                            

Collectie B.W. Wagenaar, Limmen

 

7.2 Groep decoraties van Frans Bestibroor, geboren in 1791

Oud-strijder met Napoleon in 1813, oud-strijder tegen Napoleon te Waterloo in 1815, oud-strijder tegen de Belgische Opstand 1830-1831. Drager van het Verguld zilveren Kruis 1866 en de St. Helena-medaille 1854 voor de oud-strijders van Napoleon.

Bestibroor laat zich vereeuwigen (na 1866) in zijn Franse uniform waarop zijn drie Nederlandse en het Franse ereteken prijken.

Collectie H.G. Meijer, Venray

7.3 Erepeningen

                                Literatuur:  H.G. Meijer, Bronzen Leeuw Bronzen Kruis

Erepenningen uit de periode 1813-1815

                                v.l.n.r.:                   Den Haag 1813,

                                                                Amsterdam 1815 en miniatuur,

                                                                Naarden 1814, zilver

                                                                Brussel 1815.

 

Collectie H.G. Meijer, VenrayCollectie 1813-1815, Museum van de Kanselarij der Nederlandse Orden in Paleis Het Loo.

7.4 Penningen voor de periode 1813-1815

Voor de periode 1813-1815, (de strijd tegen de Fransen), werden door de regerende vorst of door locale commissies aan leden van vrijwilligers 14 verschillende penningen hangend aan een kleurig lint uitgereikt. Deze penningen worden als de voorlopers van de latere herinneringsonderscheidingen voor krijgsverrichtingen beschouwd.

Erepenning der Haagse Vrijwilligers 1813 (771 stuks)

Erepenning der Dordtse Vrijwilligers 1813 (73 stuks)

Beloningspenning van Den Briel 1813 (16 stuks)

Beloningspenning van Ooltgensplaat 1813 (28 stuks)

Beloningspenning van ’s-Hertogenbosch 1814 (42 stuks)

Erepenning van Breda 1814 (20 stuks)

Erepenning van Naarden 1814, zilver en brons (903 stuks)

Erepenning van Gelderland (120 stuks)

 

Prachtige miniatuur set met Zilveren Kruis 1813-1815,

Van een Ridder Nederlandse Leeuw (1815) en van een Ridder Duitse Orde.

Collectie: onbekend.

 

Erepenning van Rotterdam 1815 (121 stuks)

Erepenning van Amsterdam 1815 (127 stuks)

Beloningspenning Vrijwillige Jagers der Utrechtse Studenten 1815 (40 stuks)

Beloningspenning Vrijwillige Jagers te paard der Utrechtse Studenten 1815 (42 stuks)

Erepenning der Brusselse Schutterij 1815 (72 stuks)

De uitvinding van de fotografie toont ons de eerste kwikoxide foto’s van het te dragen  Zilveren Kruis(links). 

D. Steenbergen, fuselier Infanterie, ontving zijn Zilveren Kruis als eerste militair tijdens het Halve Eeuwfeest te Leiden op 27 juni 1865.

Foto van H. Roodie, Sergeant 2e Bat. Van Linie 1815.

 

8. De Militaire Willems-Orde

 

8.1 De Militaire Willems-Orde (1815)

Waterloo is voor de faleristiek zeer belangrijk. Op 30 april 1815 werd de Militaire Willems-Orde (MWO) ingesteld en de eerste MWO werd als het ware op het slagveld van Waterloo uitgeEerder werd in deze Nieuwsbrief vermeld dat bij de voorstellen tot de instelling van een Militaire Ridderorde een ontwerp zat om de nieuwe Ridderorden te laten refereren aan de Orde van Sint Jacob van Holland (1279). Er werd echter gekozen voor de referentie met het Huis van Bourgondië, met de Orde van het Gulden Vlies (1429/1430

De afbeelding van het  voostel dat werd afgewezen in 1815                                                                                                                                                Vormgeving MWO, die tot 2000 werd gehandhaafd.

                                                                                                                                                                                                                                             MWO 4e klasse van Jacobus Muijser, 1e Luitenant Regt. Lichte Dragonders no. 4, K.B. 11 november 1817no.84 Voor Quatre-Bras en Waterloo. (1777-1857) afmeting 32 mm.                                                                                                                                                                                                                                  Foto. Dr. W.F. Bax

 

8.2 Benoemingen Militaire Willems-Orde (MWO) voor 1813-1815

In dat totaal telde Vels-Heijn 818 Ridders Militaire Willems-Orde (1815) voor Quatre-Bras –Waterloo van een totaal van 1004 MWO’s voor de strijd tegen Napoleon 1813-1815. In klassen: 6 Ridders Grootkruis, 8 Ridders Commandeurs, 54 Ridders 3e klasse en 936 Ridders 4e klasse.

Dit grote aantal MWO’s steunt de stelling dat bijna alle Officieren deze MWO ontvingen. Ook aan een officier, die bij de slag bij Waterloo door ziekte afwezig was werd een MWO verleend. Deze aantallen zijn niet terug te vinden in de MWO Registers[7] die gebruikt zijn voor publicaties. Er blijft hierdoor onzekerheid over de aantallen verleende MWO’s. De grote aantallen MWO, verleend aan officieren van elite eenheden steken schril af met de moderne toekenning van de MWO.

 

8.3 De zes Ridders Grootkruis MWO waren:

o- Willem Frederik George Lodewijk, Prins van Oranje-Nassau, erfprins der Nederlanden

     Commandant 1e Divisie, de eerste benoeming in de MWO

o- Hertog Arthur van Wellington, Prins van Waterloo, Veldmaarschalk der Nederlanden

    Opperbevelhebber van de Geallieerde troepen bij Waterloo

o- ZKH Prins Wilhelm van Pruisen

o- Vorst Blücher von Wahlstatt, Veldmaarschalk van de legers van de Koning van Pruisen.

o- Graaf A.W.N.A. von Greisenau, Generaal der Infanterie in Pruisische dienst

o- Graaf von Bülow von Dennewitz, Generaal der Infanterie in Pruisische dienst

    (bekend als bevrijder van ’s-Hertogenbosch op 26 januari 1815).


8.4 Kort hierna nog de volgende Grootkruis- Ridders MWO:

Bij K.B. van 8 juli 1815, No.15 Z.K.H. Prins Wilhelm van Pruisen

Bij K.B. van 8 juli 1815, No. 16 Leopold, graaf van Limburg Stirum

Bij K.B. van 8 juli 1815, No. 16  Jhr. Jan Willem Janssens (wegens vroeger bewezen diensten)

Bij K.B. van 3 augustus 1815, No. 44 Christiaan Lodewijk, prins van Hessen Darmstadt

Bij K.B. van 3 augustus 1815, No. 44 N.K. baron de Vincent, lt. generaal in Oostenrijkse dienst

Bij K.B. van 27 augustus 1815, No.7 prins Charles Philippe von Schwarzenberg,

veldmaarschalk in Oostenrijkse dienst

Bij K.B. van 27 augustus 1815, No. 7 Charles Philippe Joseph, vorst van Wrede, veldmaarschalk

in Beierse dienst.

Bij K.B van 27 augustus 1815, No.7 Z.K.H. Frederik Willem Karel, kroonprins van Württenberg

Bij K.B. van 19 november 1818, La. M.  Z.M. Alexander I Paulowitz, keizer van allen Russen

Bij K.B. van 19 november 1818, La. M. Z.K.H. Constantin Paulowitz, grootvorst van Rusland

Bij K.B van 27 november 1818, L. G.2 Z.K.H. George Frederik Prins regent van Gr. Brittannië en Ierland

 

De eerste MWO Grootkruis van de Prins van Oranje 1815

Collectie Koninklijk Huis Archief, Den Haag.

 

8.5 De (acht) Commandeurs MWO2 (volgens het Register 20x voor 1815)

o- Bij K.B. van 8 juli 1815, No. 16 uitgezonderd prins Willem Frederik)

o- H.W. Paget markies van Anglesey Graaf van Uxbridge ) generaal in Britse dienst’

o- C. baron van Bentinck, generaal

o- B.H. baron van Bentinck tot Buckhorst, lt. generaal

o- R.G.C.R. baron van Brienen van Ramerus, generaal majoor (Bekend van Naarden 1814)

o- F.S.graaf van Byland, vice admiraal

o- D.H. baron Chassé, lt. generaal (bevorderd tot Grootkruis in 1832 voor Citadel Antwerpen, 1832))

o- J.A. baron de Collaert, lt. generaal

o- J.V. baron de Constant  Rebecque, generaal majoor

o- W.A. baron de Constant Villars, lt. generaal

o- C.J. baron Evers, lt. generaal

o- R. baron Fagel, lt. generaal

o- F.A. graaf van der Goltz, generaal majoor

o- Lord Rowland Hill, lt. generaal in Britse dienst

o- A. Kikkert, vice admiraal

o- C.R.T. baron Krayenhoff,  lt. generaal (voor vroeger bewezen diensten) Bevorders tot GK in 1823.

o- H.A. baron van Kinckel, vice admiraal

o- P. Melville van Carnbée, vice admiraal (Tromfpenning 1781 voor Slag bij Cadix op 30 mei 1781)

o- Z.K.H. Willem Frederik Karel, prins der Nederlanden, C.O. Mobiele Nederlandse Leger

    bij K.B. 8 juli 1815, No.15. Hij stond reserve van Wellington te Halle en nam niet deel aan

   Waterloo. (Later gepromoveerd in Grootkruis voor de Tiendaagse Veldtocht in 1831).

o- H.G. de Perponcher Sedlnitzky, lt. generaal

o- A.H.J. van der Plaat, lt. generaal

o- W. baron du Pont, lt. generaal

o- J.D. baron Sweerts de Landas. lt. generaal

o- R.D. baron Tindal, lt. generaal

o- A.D. Trip van Zoutlandt, generaal majoor

o- G. Verdooren, vice admiraal

 H.G. de Perponcher

 

8.6 Ridders Militaire Willems-Orde 3e klasse

 

Bij K.B. van 8 juli 1815,  No. 15 en No.16 werden 26 Ridders Militaire Willems-Orde 3e klasse verleend aan:

                               A.C.J.G. graaf d’Aubremé, generaal majoor

                               (bevorderd tot MWO2 bij K.B van 24 mei 1821, No. 76).

                                Jhr. W.F. Boreel, lt. kolonel

                               J. Graaf van den Bosch, kolonel

                               J.B. de Bruyn de Bassique, kolonel

                               M. Busch (officier Schutterij)

                               A.A. Buyskens schout-bij-nacht

                               (bevorderd tot MWO2 bij K.B van 6 juli 1818, No. 186)

                               W.F. graaf van Bylandt, generaal majoor

                               E.A. Demerx, lt. kolonel

                               H. Detmers, kolonel

                               B.J.C. baron Dibbets, generaal majoor

                               Jhr. W.H. van der Duyn, lt. generaal

                               C.E. baron Ghigny, general majoor

                               G. Hegman, majoor, in Nassausche dienst

                               A.H.E. baron de Kruse, generaal majoor,in Nassausche dienst

                               K.H. baron de Larrrey, lt. generaal

                               M.J. de Man, kolonel

                               J. May Seaburne, schout-bij-nacht

                               Z.D.H. August Hendrik, erfprins van Nassau-Weilburg, kolonel

                               Karel Bernhard hertog van Saxen-Weimar-Eisenach. Commandant

                               Regiment bij Waterloo.

                               W.B. van Panhuys, generaal majoor

                               W.F. graaf van Reede, generaal majoor

                               G. du Rij, lt. generaal

                             F.C. van den Sande, lt. kolonel

                               J.A.H. de la Sarraz, majoor

                               G.W. van Valentine, generaal majoor in Pruisische dienst

                               Sir G. Webster, Adjudant van de prins van Oranje in Britse dienst

                               W. de Weyhers, majoor in Nassausche dienst

                               P.H. baron van Zuylen van Nyeveld, kolonel

 

Bij het KB.18 juli 1815, No. 68 en No. 69 en het KB.11 augustus 1815, No.17 werden de overige MWO’s verleend. Daarna nog volgden nog meerdere voor krijgsverrichtingen in de periode 1813-1815 (dus niet specifiek  voor Waterloo).

 Briefkaart met beroemde afbeelding, de gewonde Prins van Oranje bij Waterloo.

 

9. Nederland, 50 jaar later

 

9.1 het Zilveren Kruis 1813-1815 als herinnering

Voor de slag bij Quatre Bras-Waterloo werd pas in 1865 een herinneringsonderscheiding ingesteld en uitgereikt.

Bij Koninklijk Besluit van 10 mei 1865 werd het Zilveren Kruis 1813-1815 ingesteld als herinnering voor de ca 19.000 Nederlanders, die in Nederlandse dienst een werkzaam aandeel hadden in de krijgsverrichtingen in de jaren 1813-1815 voor het herstel van een onafhankelijk koninkrijk der Nederlanden.

Op het Halve Eeuwfeest in Leiden in 1865 werden aan 493 aanwezige oud-strijders dit Zilveren Kruis

1813-1815 uitgereikt. Dit is 50 jaar later en aan alle rangen toegekend. In totaal zijn via de burgemeesters in totaal 7000 kruizen uitgereikt.

Het was de tweede maal dat in de 19e eeuw een herinneringsonderscheiding voor alle rangen en alle deelnemers werd ingesteld. De eerste keer was het de toekenning van het Metalen Kruis 1830/31 voor de ca. 30.000 deelnemers aan de Tiendaagse Veldtocht / Belgische Opstand.

Deze onderscheiding werd ingesteld bij K.B. van 12 september 1831, No.70.

Afbeelding diverse Nationaliteiten van onze Oosterburen in Waterloo.

 

10. Mogendheden uit de collectie van Zeven

 

10.1 De bevriende mogendheden

Uit de registers van de Militaire Willems-Orde (30 april 1815) kunnen we de bevriende, afgaande op de benoemingen van het Grootkruis MWO, mogendheden van de Coalitie van Zeven aflezen.

Christiaan Lodewijk Prins van Hessen Darmstadt KB. 3 augustus 1815 No.44

Z.K.H. prins Wilhelm van Pruisen KB. 8 juli 1815 No. 15

Prins Charles von Schwarzenberg (Veldmaarschalk in Oostenrijkse dienst) K.B. 3 juli 1815, No. 15

Charles Philippe Joseph, Vorst v. Wrede (Veldmaarschalk in Beierse dienst) K.B. 27 Aug.1815,No. 7

Z.K.H. Frederik Willem Karel, kroonprins van WürttembergKB. 27 Aug. 1815, No. 7.

 

Pruisen veroverde het Koninkrijk Hannover en Saxen, Sleewijk Holstein (van Denemarken) in de periode 1865-1866 en de Pruisische expansiedrift ging door tot aan de Duits-Franse Oorlog 1870-1871. Dit eindigde pas na de twee wereldoorlogen.

 

In 1865 bij het Halve Eeuwfeest van de Slag bij Waterloo werd o.a. de penning geslagen in zilver en in brons, met de afmeting van  69 mm in  diameter.

“Vijftigste Gedenkdag Slag bij Waterloo 1815-1865”. [8]

Uit het opschrift blijkt duidelijk de verschillende landen, die deelnamen de z.g. Coalitie van Zeven;

Pr. v. Oranje, Saxen Weymar, Perponcher, Brunswijk-Oels, Uxbridge, Wellington, Picton, Bülow, Ziethen Blücher”.

 

10.2 Overzicht van het opschrift:

Pr. v. Oranje staat voor Prins van Oranje

Perponcher staat voor H.G. de Perponchier Sedlnitzky, lt. generaal,  C.O. 2e Nederlandse Divisie

Infanterie/Jagers.

Uxbridge staat voor H.W. Paget markgraaf van Anglesey Graaf van Uxbridge ). Hij was generaal in Britse dienst en verloor tijdens de Slag bij Waterloo een been.

Picton staat voor Sir Thomas Picton, lt. generaal, die in de slag op 18 juni 1815 sneuvelde.

Saxen Weimar staat voor Karel Bernhard, hertog van Saxen-Weimar-Eisenach.

Wellington staat voor Hertog Arthur van Wellington, prins van Waterloo, veldmaarschalk der Nederlanden.

Bülow staat voor graaf von Bülow von Dennewitz, generaal der Infanterie in Pruisische dienst

Blücher staat voor vorst Blücher von Wahlstatt, veldmaarschalk  van de legers van de koning van Pruisen.

Brunswijk-Oens staat voor Frederick William, hertog van Braunschweig-Wolfenbüttel-Oels, die bij Quatre-Bras sneuvelde op 16 juni 1815.

Ziehten staat voor Hans Ernst Karel Graaf van Zieten, generaal-majoor onder Blücher, die op 18 juni 1815 de Fransen succesvol aanviel op de linker flank.

 

10.3 De gedenkpenning; “Vijftigste Gedenkdag Slag bij Waterloo 1815-1865”

De samenstelling is omvangrijker dan verschillende geschiedenisboeken ons vertellen. Kort wordt vaak aangeduid dat de slag bij Quatre-Bras Waterloo werd geleverd door Engeland die in het uur der wanhoop geholpen werden door de  Pruisen. In de Engelse literatuur worden de Nederlanders en de andere deelnemers aan de “Coalitie van Zeven” niet  of nauwelijks genoemd.


10.4 Overige Penningen n.a.v. Quatre-Bras en Waterloo

 

Bron: Dr. W.F. Bax “Ridderorden, Eereteekenen, Draagteekens en Penningen betreffende de

Weermacht van Nederland en Koloniën (1813-Heden)”, Amsterdam 1932.

 

Bax no. 80           Erepenning van den Kroonprins voor Quatre-Bras 1815

Bax no. 81           Quatre-Bras 1815

Bax no. 82           Quatre-Bras 1815

Bax no. 83           Plaquette: de Kroonprins bij Waterloo, 1815

Bax no. 84           Waterloo, 1815

Bax no. 85           Overlijden van Koning Willem II in 1849 (Opschrift Quatre-Bras en Waterloo 1815)

Bax no. 86           Onthulling van het standbeeld van Koning Willem II, 1854 Den Haag,

                             staat nu in Tilburg.

Bax no. 87           Vijftigste Gedenkdag Slag bij Waterloo 1815-1865    (zie boven)

Bax no. 88           Vijftigste Gedenkdag Slag bij Waterloo 1815-1865

Bax no. 89           Vijftigste Gedenkdag Slag bij Waterloo 1815-1865

Bax no. 90           Vijftigste Gedenkdag Slag bij Waterloo 1815-1865

 Bax no. 91           Gedenkpenning Waterloo, 1815-1865

Bax no. 92           Waterloopenning, 1815-1865

Bax no. 93           Gedenkpenning Waterloo, 1815-1865

Bax no. 94           Waterloopenning, 1815-1865

Bax no. 95           Waterloopenning, vijf en zeventigse gedenkdag 1815-1890

Bax no. 96           Gedenkpenning Wateroo 1815-1910

Een penning  gemaakt met een gegraveerde stempel,

Gedenkpenning; “Vijftigste Gedenkdag

Gedenkpenning Waterloo 1815-1910. Afm. 48,5 mm,  Slag bij Waterloo 1815-1865”.

                                                                                                                                                                                                            Te vinden in Collectie Nationaal Militair Museum

 

 

 

Bax No. 137                        Draagpenning voor de marketentster van het Bataljon Infanterie No. 15,

                                             Landmilitie, Compagnie No.9, 1814.

Bax No. 138                        Draagpenning voor de marketentster van het Bataljon Artillerie No. 2,

                                            3e Cie. van Linie, 1814.

Bax No.139                         Draagpenning voor de marketentster van de 16e Afdeling Nationale Infanterie,

                                             3e Bataillon, 3e Compagnie, 1814.

Bax No.139a       Draagpenning voor de marketentster van de 16e Afdeling Nationale Infanterie,

                                             3eBataillon, 2e Compagnie,1815  koper.

Bax No. 172                        Waterloo, 1815.

Bax No. 174                        Waterloo, 1815-1865.

Bax No. 175                        Waterloo, 1815-1865.

Bax No. 176                        Waterloo, 1815-1865.

Bax No. 177                        Penning op de oprichting van het Waterloo-monument in 1824.

Bax No. 178                        Penning op het Waterloo-monument, 1824 (Het monument is in 1826 voltooid).

Bax No. 179                        Penning op het Waterloo-monument, 1824.

Bax No. 180                        Penning op het Waterloo-monument, 1824.

Bax No. 180a      (niet gepubliceerd).

Bax No. 180b      (niet gepubliceerd).

Bax No. 277                         Penning der Waterloo-Vereeniging, 1824

 

10.5 Vaandels

 

Tekening Hoynk van Papendrecht 1893 vooruitlopend op de beslissing over Vaandelopschriften in 1896

Er zijn voor verschillende vaandels bij Koninklijk Besluit toestemming gegeven om het vaandelopschrift “Waterloo 1815” toe te voegen:

Bij KB. van 7augustus 1896 No. 41, werd voor het eerst vaandel en standaardopschriften verleend.

Hier onder het 3e Regiment Infanterie voor Waterloo (19e Bat. Nationale Militie).

 Vaandel 3e Regiment Infanterie Vaandel van Regiment Infanterie Oranje Gelderland Opschrift : WATERLOO 1815    Opschrift: QUATRE-BRAS / EN/ WATERLOO / 1815, aangehecht het Zilveren Kruis

Een bijzonder souvenir van de Slag bij Waterloo was een veroverde Eagle door de Schotse Hooglanders, (The Royal Dragoons, the Grey Scots). Deze veroverde Eagle stond later model voor hun pet embleem.

 Het veroveren va het Franse vaandel ,de z.g. Eagle.

Embleem van The Royal Dragoons door de Schotse Hooglanders Royal Dragoons                                                                                                                                                         105 Regiment

 

11. Waterloo medailles van de andere deelnemende landen:

 

11.1 English Waterloo Medal 18th June 1815

 Capt. Edward Wildmann, 9th Lancers met Waterloo Medal.

 Instituted by an order dated 10th March 1816 and a later instruction was issued that the ribbon was never to be worn without medal. The medal with three distinctions. It was the first medal to be awarded by the British Crown, to all its troops irrespective of rank, the first campaign medal to be given to the next-of-kin of men killed in action and the first medal to have the recipient’s name impressed by a machine. Although named the Waterloo medal it was actually awarded, at suggestion of the Duke of Wellington, Lord Wellesley, for Quatre Bras on the 16th, the fighting on the 17th and Waterloo proper on the 18th. Every British and King’s German Legion soldier present at these actions was credited with two years’ extra service to count for pay, promotion and pension. The medal was designed by T. Wyon. The observe is the laureate head of the Prince Regent. The nicely balanced reverse depicts the Grecian winged figure of Victory, seated on a pedestal, holding a palm branch in her right hand an a olive branch in her left, Above her head is the word WELLINGTON and in a rectangle below the pedestal, the word WATERLOO. Beneath the rectangle is the date JUNE 18 1815 in two lines,. The ribbon is crimson with quarter-inch wide dark blue edges.The individual naming is in large impressed capitals and always includes the regiment or unit; the blank spaces at either end are usually filled by two or three stars. Suspension is by means of a steel clip sweated to the top of the (silver) medal, through which passed a steel ring 1.1 inch in diameter.

In diameter. The size of this medal is 1.4 inch in diameter. Material: silver.

 

Overname; Robert W. Gould “Campaign Medals of the British Army 1815-1972”.


11.2 Hannover Medal

Grated by the Prince Regent to survivors from his German Dominions.

 

Obverse:

Laureated head of the Prince Regent facing right, with date “1815”

Underneath, and the legend “Georg Prinz Regent”Reverse: Military Trophy with legend

“HANNOVERSCHER TAPFERKEIT” above and below the trophy, in large lettering is  “WATERLOO JUN XVIII

Ribbon: Bright crimson with light blue edges of watered silk, which is attached to the silver piece by aring to the English Waterloo Medal.

 


11.3 Brunswick Medal

 

One medal was awarded by the Prince Regent. It was said to have been made from the metal ofcaptured guns and is therefore, of bronze. Obverse: Head of Duke Frederick William of Brunswick (who was killed at Quatre Bras, 17th June, 1815), facing left and wearing cap; with legend “FRIEDERICH WILHELM HERZOG”. Reverse: An oak and laurel wreath surrounding the inscription “BRAUNSCHWEIG SEINEN

KRIEGERN QUATREBRAS UND WATERLOO”.

Size: 1.35 inch in diameter.

Ribbon: 1,5 inch wide, yellow with pale blue stripes near the edges.

Designer: C. Häseler.

11.4 Dutch Star 1813-1815 (1865)

 11.5 Saxe-Gotha-Altenburg Medal

This medal was given in bronze to soldiers and bronze, part gilt to officers of the Foreign Legion of Saxe-Gotha-Atenburg. The medals measure 1.6 inch diameter. He design is very simple, suspension being from a bright green ribbon with black edges through which is threaded, horizontally, thin gold  silk to form gold stripes. The ribbon is threated through a 0.7 inch diameter ring which in turn passesthrough a ball attached to the top of the piece.

Obverse: The crown of Saxe-Gotha surrounded by the legend

“IM KAMPFE FUER DAS RECHT”

The edge of the metal is engraved with the name of the Duchy and dates

“MDCCCXIV” and “MDCCCXV”

Reverse:  A five-petalled rose surrounded by an ornate design.

 

 

11.6 Nassau Medal

 This, the first Waterloo Medal issued, was distributed by Frederick Duke of Nassau on 23rd December, 1815, to his troops who had been present. The medal, which is of silver, is only 1.1 inch diameter, and is suspended from a dark blue ribbon with narrow yellow edging, which passes through a ring directly connected to the piece. Obverse: he head of the Duke of Nassau, facing right.

Reverse: A figure of Victoria crowning a warrior. The date “Den 18 JUNI 1815” is in the exergue. The medals were issued unnamed.

 


11.7 Hanoverian Jubilee Medal, 1865

This medal was subscribed for the people of Hannover for issue to survivors of the Battle of Waterloo. The medal is of bronze and bears on the obverse the Arms of Hanover surrounded by the inscription

“STADT HANOVER DEN SIEG VON WATERLOO 18 JUN 1815”. The reverse shows a laurel wreath surrounding the inscription “ZUR 50 JAHRIGEN JUBELFEIER am 18 JUN 1865”.

 

 

11.8 St. Helena Medal (1857)

 This fine medal, though issued in bronze, has something rather pathetic about it as it was not instituted until 12th August, 1857, on the instigation of Emperor Napoleon III, to survivors of Napoleon’s Grande Armee. History relates how surprised Napoleon was when he boarded H.M.S. Bellerophon, on the first stage of his road to captivity, to notice that seamen wore no marks of merit. The medal is oval and bears on the reverse the laureate head of Napoleon, facing to the right, with theinscription “NAPOLEON I EMPEREUR”. On the reverse within a laurel wreath is the inscription“A SES COMPAGNONS DE GLOIRE Sa DERNIERE PENSEE STE HLENE

5 MAI 1821” .

Around this again is the further inscription “Campagnes de 1792 a 1815”.

Above the oval is the Imperial Crown, surmounted again by a small cross. A ring of suspension passes through the top of the piece, through which passes the 1,5 inch wide green ribbon with five thin red stripes and thin red edges.


12. Overname:

Jörg Nimmergut, ORDEN & EHRENZEICHEN 1800-1945, Katalog 1885/86.

 

Blz. 10-11

Anhalt-Köthen

Nr. 36 Eiserne Kriegsdenkmünze für 1815.

Nr. 37 wir vor für 1813, 1815.

Anhalt-Bernburg

Nr. 51 Kriegsdenkzeichen für 1814-1815.

Anhalt-Dessau

Nr. 59 Feldzugkreuz für1813, 1815.

Baden

Nr. 290 Spangen zur Felddienst-Auszeichnung 1814-1815.

Nr. 1815 Spangen zur Felddienst-Auszeichnung 1815.

Bayern

Nr. 487 Goldene Militair-Verdienstmedaille 1806-1815 Gold.

Nr. 488 Goldene Militair-Verdienstmedaille 1806-1815 Silber.

Nr.509 Medaille des Militär-Denkzeichens 1813, 1814, 1815.

Braunschweig

Nr.627 Silberne Militärverdienstmedaille 1815.

Nr. 628 Waterloo-Ehrendukat, 1815.

Nr. 629 Waterloo-medaille, 1818  Prägevarianten.

Frankfurt

Nr. 671 Kriegsdenkmünze für Offiziere and Mannschaften, 1815 Gold.

Nr. 672 Kriegsdenkmünze für Offiziere and Mannschaften, 1815 Silber

Hannover

Nr. 743 Kriegsdenkmünze für die Freiwilligen von 1813.

Nr. 744 Guelpen-Medaille für Militairverdienst im Kriege 1815.

Nr. 745 Waterloo-Medaille, 1815.

Hansestädte gemeinsam

Nr. 760 Gemeinsame Kriegsdenkmünze für die Hanseatische Legion, 1815 in Gold.

Nr. 761 Gemeinsame Kriegsdenkmünze für die Hanseatische Legion, 1815 in Silber.

Hessen-Darmstadt

Nr. 932 Erinnerungzeichen für Kriegsveteranen 1792-1815, Steckanzeichen.

Hessen-Homburg

Nr. 964 Schweterkreuz für 1814-1815, Halskreuz für Luswig I von Hessen-Darmstadt (Gold/Silber).

Nr. 965 Schweterkreuz 1814-1815, Silber.

Hessen-Kassel

Nr. 994 Orden vom Eisernen Helm Dekoration auf dem Brabander Kreuz, 1814.

N. 995 Orden vom Eisernen Helm Dekoration auf dem Brabander Kreuz, 1815.

Isenburg-Birstein

Nr. 1080 Silberne Kriegsdenkmünze 1814, Versibert Fahnenquaste an langer Schnur.

Drie verschillende varianten, Nr. 1081 en Nr. 1082.

Schaumburg-Lippe

Nr. 1248 Militär-Denkmünze für die Kriege 1808-1815.

Mecklenburg-Schwerin

Nr. 1321 Ovale goldene Militärmedaille f ür 1813/15.

Nr. 1322 silberne Militärmedaille f ür 1813/15.

Nassau

Nr. 1472 Goldene Waterloo-Medaille, 1815.

Nr. 1473 Silberne Wateroo-Medaille, 1815.

Oldenburg

Nr. 1556 Kriegsdenkmünze für den Feldzug 1815.

 

Preussen

Nr. 1911 Kriegs-Denkmünze 1813, Kreuz mit scharfkantige Armen, 1813-1815.

Nr. 1912 Kriegs-Denkmünze 1814, Kreuz mit scharfkantige Armen.

Nr. 1913 Kriegs-Denkmünze 1813/1814, Kreuz mit scharfkantige Armen.

Nr. 1914 Kriegs-Denkmünze 1815, Kreuz mit scharfkantige Armen.

Nr. 1915 Kriegs-Denkmünze 1813-1815, Kreuz mit gebogenen  Armen.

Nr. 1916 Kriegs-Denkmünze 1814, Kreuz mit gebogenen  Armen.

Nr. 1917 Kriegs-Denkmünze 1813-1814, Kreuz mit gebogenen  Armen.

Nr. 1918 Kriegs-Denkmünze für Nichtkämpfer 1813.

Nr. 1919 Kriegs-Denkmünze. für Nichtkämpfer 1814.

Nr. 1920 Kriegs-Denkmünze. für Nichtkämpfer 1813-1814.

Nr. 1921 Kriegs-Denkmünze für Nichtkämpfer 1815.

Nr. 1922 Erinnerungs-Denkmünze 1813-1815, 1863.

Nr. 1923 Erinnerungs-Denkmünze 1813-1815, 1863, für Nichtkämpfer.

Nr. 1924 Erinnerungs-Denkmünze 1813-1815, 1863, für Damen des Luisen-Ordens.

Reuss gemeinsam

Nr.2021Ehrenkreuz fürdie Feldzüge 1814/1815.

Sachsen-Weimar

Nr. 2396 Medaille Treuen Kriegern 1809-1815

Sachsische Herzugtumer bis 1825

Nr.2432 Kriegsdenkmünze für 1814/1815 Campagne Medaille.

Sachsen-Gotha-Altenburg

Nr.2439 Kriegdenkmünze 1814-1815 für Offiziere 42 mm.

Nr.2440 Kriegdenkmünze 1814-1815 für Offiziere Kleinausfuhrung 32 mm.

Nr.2441 Kriegdenkmünze 1814-1815 für Unteroffiziere teilvergoldet.

Nr.2442 Kriegdenkmünze 1814-1815 für Manschaften, Inschrift vergoldet.

Sachsen-Altenburg

Nr.2606 Erinnerungszeichen für Veteranen 1813/1814 (1863).

Nr.2607Erinnerungszeichen für Veteranen 1813/1815 (1863).

Nr.2608 Erinnerungszeichen für Veteranen 1814/1815 (1863).

Schwarzburg-Rudolstadt

Nr.2763 Erinnerungskreuz fur 1814/15.

Schwarzburg-Sondershausen

Nr.2821 Kriegsdenkmunze für 1814/15.

Waldeck

Nr. 2877 Feldzugmedaille für 1813-1815 (1850).

Nr. 2878 Feldzugmedaille für 1813-1814.

Nr.2879 Feldzugmedaille für 1814. 

Nr. 2880 Feldzugmedaille für 1813-1815.

Württemberg

Nr. 3048 Goldenes Ehrenzeichen für den Feldzug 1815, Kreuz.

Nr. 3049 Silberne Ehrenzeichen für den Feldzug 1815, Kreuz.

Nr. 3050 Silberne Ehrenmedaille für den Feldzug 1815.

 

 

De Waterloo gratificaties werden in 1817 per maand uitbetaald. De gratificaties voor de diverse rangen werden als volgt vastgesteld: met als voorbeeld 1e klasse generaals kregen 30.589 francs en 7,5 centimes (omgerekend 14.453 gulden en 34 cent) en militairen van de 6e klasse, dekorporaals, tambours en soldaten kregen61 francs en 60 centimes (29 gulden en 0,5cent)[9]

 

Hiermee hopen wij overtuigende feiten te hebben bijeen gebracht dat zoveel nationaliteiten hebben deelgenomen aan de strijd tegen Napoleon. En dit dankzij de faleristiek! De hulpwetenschap Faleristiek is de studie naar kennis over ridderorden en onderscheidingen. In Engelstalige landen wordt meestal de omschrijving Orders and Medals Research gebruikt.

In 1942 werd in Engeland de Vereniging “O.M.R.S., Orders and Medals Research Society” gesticht. Onder haar leden bevinden/bevonden zich de auteurs van studies/naslagwerken over faleristiek.

 

13. O.M.R.S. Badge of Honour, Badge Membership, Medal of Merit in Silver

Toegekend aan de schrijver van dit artikel

Het logo van de OMRS is de keerzijde van de Wateloo Medal. Ook op de lidmaatschapspeld, de Erespeld en de Medaille van Verdiensten van deze OMRS. De medaille aan het zelfde lint als de Waterloo Medal.

 Augustus 2014


14. Literatuur:

 

Gould, R.W., Campaign Medals of the British Army 1815-1972, (London 1982).

Gordon, L.L., British Battles and Medals, (London 1971).

Haythwornthwaite, P.J., The Napoleon Source Book (London 1991).

 

Meijer, H.G., Mulder, C.P., Wagenaar, B.W.,Orders and Decorations of the Netherlands,

(Venray 1984).

Meijer, H.G.  Bronzen Leeuw, Bronzen Kruis, Militaire dapperheidsonderscheidingen,

(Amsterdam 1990).

Steegmans M., Vergeten Glorie, de slag bij Waterloo in het collectieve geheugen van

Nederland 1815-1965,

Master thesis geschiedenis, (Rotterdam 2011) .

Nimmergut, J., Orden & Ehrenzeichen 1800-1945,  Deutschland-Katalog 1885/86 (München 1977).

Suringar, G.T.N.“Herinneringen uit 1815 door eenen Frieschen Vrijwillige Jager”,

(Leeuwarden 1866).

Vels Heijn., N., Glorie zonder  helden, de slag bij Waterloo,  waarheid en legende

(Amsterdam 1974).

Reconstructie uniformen Waterloo Collectie: Legermuseum Delft



[1]Database legermuseum Delft, 2012.

[2]Glorie zonder helden, de Slag bij Waterloo, waarheid en legende” blz. 259.

[3]  Database legermuseum 2012.

[4]Diverse historici hebben het aantal doden wegens de Napoleontische oorlogen hoger geschat  op tussen de

   3.00.000 en 6.500.000 burgers en soldaten.

[5] Tot 1940 werd de slag bij Waterloo in overheidsinstanties herdacht. De balangstelling in Noord Nederland was niet groot

[6]Steegman, M, Vergeten  glorie ,6.

[7]Köffler’s   “De Militaire Willems-Orde  1815-1940”.

[8]Bax, nummer 87.

[9]Lems, B., het Archief van het Hoofdbestuur van het Fonds  ter aanmoediging en ondersteuning van de Gewapende Dienst in de

Nederlanden (archief 355). http://stadsarchief.amsterdam.nl/archieven/archiefbank/indexen/waterloo_gratificaties_1815/handleiding/.

Zilveren kruis Waterloo
Fus. Steenbergen en medailles
Capt. Edw. Wildmann, with Waterloo medal
Penning Waterloo Zink
Braunschweig medal 1815-1818