De Orde van St. Jacob in Holland beschrijving

concept 1814

                              De Orde van St. Jacob

Een beknopte beschrijving van de Orde van St. Jacob

uit bewaard gebleven archieven en gevonden documentatie.

 

Inhoudsopgave

1. De beschrijving van Orde van St. Jacob

1.1 Inleiding en verantwoording

2. De gedachte aan een eigen ridderorde.

2.1 Beeldvorming

2.2 De motieven van Floris V om een eigen ridderorde te stichten

2.3 Waarom kiest Floris V Sint Jacob als beschermheilige

2.4 De oprichting van de Orde van St. Jacob met een politiek doel.

2.5 Floris V als eerste grootmeester van een ridderlijke orde.

3.  De Ordeversierselen

3.1 De schelpenketting

3.2 Wapens

3.3 Symboliek van schelpen en pelgrims

3.4 De bronnen

4.     Eerste deel, de historiografie

4.1 Het ridderen en de beperkte documentatie

4.2 De zestiende eeuwse geschiedschrijving

4.3 De zeventiende eeuwse geschiedschrijving

4.4 Christofoor Butkens

4.5 De Cisterciënzer monnik Butkens is vaak bekritiseerd wegens onjuistheden in veel van zijn werken, maar welke kritiek betreft het?

4.6 Aubertus Miraeus

4.7 Marcus Zuerius Boxhorn

4.8 Oorkonden, ridderen, ridderslag, ridderideaal, ridderschap, adelsbrieven en de omschrijvingen

4.9 De reformatie en de Orde van St. Jacob

4.10 Geschiedschrijving in de verenigde Zeven Provinciën, Thomas de Rouck

4.10 het koninkrijk der Nederlanden

4.11 Samenvatting eerste deel

5. Discussie en geschriften over de Orde van St. Jacob in de negentiende eeuw.

5.1 Het begin van de negentiende eeuw en de Napoliontische erfenis.

5.2 Literatuur in de negentiende eeuw met betrekking tot ridderorden.

5.3 De eerste voorzitters van de Hoge Raad van Adel en hun ambstermijn.

5.4 Over het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, koninklijk Nederlands Instituut van Wetenschappen ( KIW, KNIW) de Gids, de archieven en de bewerking hiervan.

5.5 De Hoge Raad van Adel.

6. Literatuur

 

Beschrijving van De Orde van St. Jacob

1.1 Inleiding en verantwoording

 

Is de Orde van St. Jacob nog steeds het spook dat waarheden in de vaderlandse historie bedreigt? Of is het een waardevol onderdeel van deze geschiedenis? Een beknopte beschrijving van de Orde van St. Jacob uit bewaard gebleven archieven en documentatie kan het antwoord hier op geven.

De Orde van St. Jacob in Holland ofwel ‘de Orde des graven Floris V in Holland’ is opgericht als een politiek en machtsideaal en nadien voortgezet als ridderideaal. Aan de hand van een inhoudsopgave worden de belangrijke historische gegevens die het ontstaan onderbouwen en een bijdrage kunnen leveren tot aanvaarding van de oudste Nederlandse Ridderorde nader in dit artikel toegelicht. Getracht wordt de bronnen te verdedigen en een verweer te geven tegen vooringenomenheid van historici die slechts napraten en weergegeven feiten negeren.  De historie van de Orde is een puzzel die bereidheid van belangstellende onderzoekers vergt om steeds te blijven zoeken naar bronnen. In de oudste bronnen van Reigersbergh en Petit wordt verteld dat er ridders aan de graaf zijn verbonden die als dragers van de Orde des Graven zijn gekenmerkt door een gouden halsketen met vijf Jacobschelpen en een afbeelding van St. Jacob. De schrijvers in de zeventiende eeuw beschrijven de stichting van een ridderorde en een daarbij gehouden toernooi en de namen van eerste twaalf verbonden ridders. Een lijst van opvolging en aanvullende documentatie van ridders is in het archief van de Souvereine Orde van St. Jacob in Holland aanwezig. Deze gegevens zijn slechts in geringe mate beschikbaar, veel ontbreekt door verlies of diefstal. Een deel van het archief is in de twintigste eeuw in geringe mate hersteld. Na een inleiding over motieven tot de vorming van een eigen ridderorde volgt een overzicht van de oudste bronnen. In het besproken materiaal van de achttiende en negentiende eeuw komt de discussie aan bod met voor en tegen argumentatie over het ontstaan van de Orde van St. Jacob.                                                                                                                                

 

 

 

 

Ter verantwoording:

Voor de samenstelling van deze verhandeling is gebruik gemaakt van alle verworven literatuur uit het archief SOSJH[1] en bronnen die via Google Books uit universitaire centra in de wereld zijn weergegeven. De documenten waren volledig leesbaar en al het beschikbare materiaal is in archief opgeslagen. De ingebrachte documentatie biedt voldoende bewijs dat de Orde van St. Jacob is opgericht desondanks weigeren vele historici er aandacht aan te besteden omdat het een uitgemaakte zaak lijkt en er geen directe bron aantoonbaar is. De vele persoonsnamen die gebruikt zijn vormen zeker een moeilijkheidsgraad in het lezen van de gegevens, zij zijn bewust gebruikt om aan te geven dat er zeer veel personen bij de oordeelsvorming over de Orde van St. Jacob betrokken zijn geweest.

The past is everything that has even happened  before now. History is everthing that we can show has happened before now.

 

A.H. Chr. De Bruijn, Amstelveen 2014.

2. Floris gedachten aan een eigen ridderorde

2.1 Beeldvorming

Hoewel de oprichting van de Orde van St. Jacob, als een schitterend hoogtepunt uit de vaderlandse historie beschouwd kan worden is deze toch met enige regelmaat een bron van ergernis en discussie geweest. Anderzijds kan men ook denken waarom Nederland niet zou mogen beseffen dat óók zij een graaf had, wiens vader Rooms-koning was, voorbestemd tot keizer en dat zijn zoon kans had eveneens de vorstelijke weg in te slaan. Juist in die tijd zou bij een dergelijke grafelijke doorluchtigheid een eigen ridderorde uitblinken.[2]  Floris zelf achtte de tijd rijp om een eigen ridderorde op te richten, waarmee hij zijn eigen verhevenheid boven die van zijn onderdanen wilde aangeven (machtsideaal). De instelling van een ridderorde ging gepaard met veel pracht en praal en voor het laatst was de pracht en praal van deze ridderorde te beleven in de ‘Maskerade’ in 1845 en later deels in 1885 te Leiden, toen de middeleeuwse ridders van de Orde van Sint Jacob na eeuwen weer in het daglicht verschenen. Alles voelde zó echt dat het leek als of Floris V zich weer als graaf van Holland en Zeeland onder het volk toonde. [3]

De afbeelding toont de optocht der ridders van St. Jacob 1845.

Floris V rijdt in het midden van de stoet.                                                                                                                                                               Optocht van de H.H. Studenten der Leydsche Hoogeschool, gehouden 8 februari 1845, voorstellende de optocht van Floris V met de pas geslagen St. Jacobsridders naar het door hem, bij de instelling van de orde gegeven toernooi de ’s Gravenhage in het jaar 1279. Collectie Regionaal Archief Leiden, 1845, Immerseel Mounier.

 

Gehuld in een kolder van goud gele maliën en rode hermelijnen mantel, te paard gezeten, vormt hij het middelpunt van de stoet. De rode Leeuwen vormen de onderscheidingstekens van grafelijk Holland. Om zijn hals hangt het draagteken van de Orde van St. Jacob en op zijn hoofd siert een rode baret met korte pluim. Zo rijdt hij in de stoet terwijl het volk hem toejuicht.

 

2.2  Wat waren de motieven van Floris V om een ridderorde te stichten?

In het zoeken naar antwoord op de vraag is er gelegenheid tot een aantal overwegingen. Floris was in 1277 geridderd door de hertog van Brabant, dit gaf hem het recht te ridderen. De vorming van een ridderorde betekent een aantal ridders bijeen brengen onder gezag van een leidsman en samen met de vorst in te zetten voor een doel. Wilde hij een ridderorde oprichten vanuit idealistische motieven zoals strijd voor het geloof en de kerk, naar voorbeeld van de geestelijke ridderorden?  Alle ridderorden kregen in de middeleeuwen een schutspatroon. Floris V koos als beschermheilige St. Jacob, een krachtig verdediger van het geloof, in de Bijbel genoemd als de meerdere en een geliefd apostel. Deze naam was niet onbekend in zijn tijd. Sint Jacob behoorde tot een veel aanbeden heilige en was voor pelgrimgangers onmisbaar. Dit zou de Orde fraai sieren echter pelgrimage was meer een individueel doel en geen gezamenlijke onderneming. Het veronderstelde vermoeden dat de Orde diende ter bescherming van pelgrims is historisch nooit bewezen. Floris had zijn handen vol aan binnenlandse aangelegenheden zoals het verweer tegen de opstandige Friezen, kruistochten en pelgrimages kwamen op een lager plan. Eerst moest Floris zijn binnenlands bestuur organiseren. Na de val van Akko in 1291 blijft een kruistochtgedachte bestaan. Floris schenkt in 1295 aan ’s Gravenzande land ten behoeve van een eventuele kruistocht.[4]

 

2.3 Waarom kiest Floris V Sint Jacob als beschermheilige?

Traditioneel werden ridderorden opgericht met een beschermheilige. Floris koos een veelzijdig heilige en gebruikte de schelpen in de eretekenen als aansluitende symboliek. Pelgrims naar Frankrijk en Spanje kennen maar één beschermer de apostel St. Jacob en gebruiken schelpen als pelgrimstekens. St. Jacob was een uiting van sterkte en gezag, een uitstekende keuze voor een ridderorde. De naam van St. Jacob was in ’s Gravenhage geen onbekende, St. Jacob is beschermheilige van den Haag. Floris V heeft ook de houten Haagse St. Jacobskapel in 1280 vervangen door een houten kerk. De kerk lag op een belangrijk kruispunt van wegen. Een brand in 1574 vernietigde alles en de kerk werd herbouwd tot Grote of St. Jacobskerk. Had Floris V vernomen van de kroniek van Pseudo-Turpijn, die beschrijft hoe Karel de Grote beschermd wordt door de apostel Jacobus in de strijd tegen de Saracenen, en hem vraagt de St. Denis kerk te bouwen?[5]  Een voorbeeld voor Floris V? Dit vrijelijk associëren brengt ons niet verder. De instelling van een militaire orde zoals de in 1170 opgerichte Spaanse Militaire Orde van St. Jacob en het zwaard met het doel voor het christelijk geloof te strijden, behoorde niet tot de motieven van Floris. Het gravenhuis was niet intensief bij de kruistochten betrokken. Er zijn nog meer afwegingen: diende een ridderorde tot steun voor het verlies van zijn jong overleden vader in de strijd tegen de opstandingen in Kennemerland die zijn vader zo wreed hadden gedood? Dit motief zou Floris kunnen bewegen voor een militaire orde te kiezen er was zeker strijd te leveren tegen de omringende opstandelingen.

Afbeeldingen van ridders van de Orde van St. Jacob worden in buitenlandse literatuur afgebeeld in militair tenue, toch weten we dat er geen sprake is geweest van het oprichten van een orde voor militaire doeleinden. Een andere overweging was  een orde in te stellen ter ere van zijn huwelijk met Beatrijs van Vlaanderen [6] en dit brengt ons terug naar het vaak aangegeven stichtingsjaar 1279. De huwelijksdatum is ook niet zeker en blijft een discussie onder historici.[7] Het huwelijk van Floris V met Beatrijs van Vlaanderen uit het Huis Dampierre was een politieke daad en een bekende gewoonte onder de adel. Toch moeten het andere, vrijwel zeker politieke motieven zijn geweest, die besluit tot het oprichten van een orde vorm gaven. De Clerc uten laghen landen vertelt in de Kroniek van Holland dat er ten gevolge van oorlogen en een grote epidemie nog maar weinig ridders in Holland en Zeeland overgebleven waren, naast nieuwe ridders uit de lagere stand te verheffen, wilde Floris bedenken op welke wijze hij ridders kon aantrekken om de ridderstand verhogen? Zou hij hierin slagen?  Er werden twaalf als eersten in de Orde opgenomen.

2.4 De oprichting van de Orde van St. Jacob met een politiek doel.

 De orde werd opgericht in een tijd dat het politieke klimaat er rijp voor was. De officieel aangehouden stichtingsdatum van de Orde is 1290. Dit komt beter overeen met de verwikkelingen van Floris en zijn vazallen. Het spanningsveld met Gijsbrecht van Amstel en Hugo van Vianen was verdwenen en met de verbintenis in een Orde meende Floris eer en vertrouwen te combineren. Ook past dit jaartal beter in zijn buitenlandse politiek zoals het verstevigen van diplomatieke relaties in Schotland en Duitsland. Floris bereikt het hoogtepunt van zijn macht en toont dit heel duidelijk. In de Orde werden twaalf ridders ingezegend door bisschop elect Jan van Nassau. Twaalf als het beeld van de apostelen rond de Heer. De ridders waren; Lancelot, heer van Hamilton; Godevaert, heer van Boichholt; Henderick, graaf van Hennenberg; Dierick, graaf van Cleve; Dierck, heer van Brederode; Jan VII heer van Heusden; Jan IX, heer van Arckel; Otto van Arckel, heer van Asperen en Heusden; Dirk, heer van Lijnden; Jacob, heer van Wassenaar; Gijsbrecht, heer van Amstel en Hugo, heer van Vianen. Deze eerste edelen die Floris V in zijn orde opnam behoorden tot de voornaamste adellijke geslachten en ontvingen de eer als een beloning voor hun verdienste en trouw in voldane plicht. Zij behoorden nu tot een zeer selecte verheven groep. Het was niet alleen een gunst van Floris maar een weloverwogen slimme zet met de gepaste eer een aantal lieden in te palmen en door hun eed van trouw aan zich te binden. Deze eed zou de kans op tegenwerking verkleinen. Ook de opname van hoogwaardigheidsbekleders kan gezien worden als een handeling tegen het gegroeide beeld dat hij een ‘keerlen God’ was, een god van de rijke boeren, die wel het ridderschap konden betalen maar geen status hadden. De naam die latere schrijvers [8] gebruikten om aan te geven dat de edelen beledigd waren dat Floris ook niet adellijken ridderde.

     Lid zijn van de Orde was een uithangbord voor buitenlandse vorsten en hiervoor werd de graaf van Hennenberg gekozen. Hij was afgezant van de aartsbisschop van Keulen en de beschermheer van de Duitse Orde, die al talloze privileges en tolvrijheden bezaten in de Hollandse gebieden. De invloed van de Duitse keizer Rudolf als leenheer, Floris was zijn leenman, verminderde snel in de tweede helft van de 13e eeuw en het was verstandig vrienden te zoeken in de Duitse gebieden.

Over zee zocht hij Hamilton, ambassadeur van de koning van Schotland, Floris die nog in de waan leefde om koning van Schotland te worden onderhield zo zijn contacten.

Om Holland heen zocht hij verder; in het hertogdom Gelre in het oosten, de ridders van Arckel, van Lynden en van Kleef; en van Heusden in Brabant. Jan van Wassenaar in het zuiden van Holland, Brederode in het noorden. Opvallend is dat er geen benoemde ridders uit Vlaanderen benoemd worden. Zijn schoonvader met wie Floris ondanks zijn huwelijk al jaren op gespannen voet leefde over de leenhoogheid van de Zeeland-bewester-Schelde (de gebieden Walcheren en de Bevelanden,) en die hij liever wilde inlijven werd niet in de Orde opgenomen. Wat betreft Zeeland waren de heren van Borssele en van Renesse de eersten die zouden volgen, echter er was te veel onmin in die tijd. Met van Heusden had Floris een afhankelijkheid als leenman gecreëerd binnen Brabant. De hertog van Brabant was de leenheer van Jan van Heusden. In Gijsbrecht zag Floris toch de machtigste tegenstander die hij met een ridderorde wilde binden na de verzoening en de vijf jaren hechtenis van de Amstels na hun opstand tegen elect Jan van Nassau. [9] Floris V moest iets ondernemen om de gunsten van de edele te herwinnen. Begin 1290 is Gijsbrecht van Amstel een van de belangrijkste Hollandse edellieden. [10]

 

2.5 Floris V als eerste grootmeester van een ridderlijke orde.

Floris V ontving tijdens de plechtigheid als eerste de ketting uit handen van Jan van Nassau en vervolgens installeerde hij zijn benoemde ridders. De twaalf waren voor hem gelijk.  De leden leggen de eed van trouw af aan de grootmeester. In de regeerperiode van Floris bestonden rondom Holland andere orden. [11] In geestelijke ridderorden beloven ridders armoede trouw en kuisheid. De riddereed heeft een specifieke doelstelling;  het omvat ondersteuning van zwakken en armen als ideaal.  De Orde van St. Jacob is geen geestelijke ridderlijke orde. In een middeleeuwse ridderlijke orde gaat het om een toegevoegde waarde aan de status van de ridder en de belofte trouw de grootmeester te dienen, te volgen en geen leengoederen te vervreemden. In ridderlijke orden kent men voor taken rangen; de grootmeester wordt bijgestaan door de maarschalk en de kanselier. De ridders vallen onder gezag van de commandeur de gezagdrager in de commanderijen die verspreid zijn over het land. Commandeurs staan onder gezag van de grootmeester. In hospitaalorden was het toetreden van dames verbonden aan armenzorg en verpleegkundige taken. In de dertiende eeuw kenden de graafschappen slechts enkele ridderorden. Naar de uitkomst van literatuur onderzoek moet Floris V alleen kennis gemaakt hebben met de Orde van Sint Jan, de Duitse Orde en de Tempeliers. Ook over de latere orden van de Tuin[12] en van Sint Antonius is weinig bekend. Afbeeldingen van Floris V die in zijn tijd gemaakt zijn bezitten musea niet. De vroegste dateert uit de vijftiende eeuw.[13]  Hierdoor zijn we aangewezen op geschriften en afbeeldingen uit de zeventiende eeuw, waarin geschiedschrijving en boekdrukkunst zich verder ontwikkelden en een basis gingen vormen voor overdrachtelijke historie.

 

3. De ordeversierselen

De eerste grootmeester droeg een schelpenketting gemaakt van vijf jakobsschelpen, dit is ontleend aan de gegevens van Reigersbergh (1555) en Boxhorn (Toneel ofte beschryvinge der steden van Hollandt 1634). De Franse literatuur toont alleen de vijfschelpen met medaillon naar voorbeeld van Adriaan Schoonebeek. In Nederlandse afbeeldingen van zeventiende en achttiende eeuw zijn afbeeldingen van zeven schelpen te zien zoals afgebeeld in Thomas de Rouck, een heraldicus uit de zeventiende eeuw. Andere literatuur toont In de vorm van de negentiende eeuw een ketting met twaalf schelpen ter ere van de twaalf eerste ridders, met de H van Holland er tussen geschakeld. Om het familiewapen van Dirk II van Lynden, een van de eerste St. Jacobsridder hangt de keten zoals die in het werk van Butkens is opgenomen[14]. Wapens die in de Ridderzaal hingen zijn verloren gegaan. [15]In Zeeland bevindt zich het wapen van Nicolaes ridder van Souburg. Een ridder die beschreven is in het archief van St. Jacob.[16] Het is een kruis beladen met 5 Jacobsschelpen. Souburg heeft als wapen, de burcht, dat in 1842 door de Hoge Raad van Adel is bevestigd. Het aangegeven wapen was aanvankelijk geen familiewapen maar een ridderwapen. Er bestaan een aantal familiewapens met Jacobschelpen die echter niet met de Orde van St. Jacob in verband gebracht kunnen worden.

 

3.1 Symboliek van schelpen en pelgrims.

De voorvaderen van Floris V gingen niet naar Santiago de Compostela maar gingen wel op pelgrimstocht naar het Heilig Land, de zoon van Dirk VI werd onderweg geboren en kreeg de naam Peregrinus ( pelgrim).

Sinds de middeleeuwen is er een verband met St. Jacob en de schelp ontstaan, de reden hiervan is nooit zuiver beschreven, mogelijk dat de schelp langs de kust de richting aangeeft en de mooiste uitleg is de metafoor dat de lijnen ( ribben) van de Jacobschelp pelgrims routes zijn die allen in een punt bijeen komen.

                                                                                                                            

Verschillende vormen van een schelpen ketting.

1. Keten met een schelp, uitsluitend om het medaillon te tonen door E. Dambreville, Abrégé chronologique de L'histoire des Ordres de Chevalerie, (Parijs 1807).p. 99-100, pl.VI.

2. Keten met vijf schelpen door L’Abbé Giustiniani, Heliot, Schoonebeek ea.                                                            In Histoire des ordres militaire ou des chevaliers.                                   

3.  De twaalf schelpen in de ketting, Clark, K, Concise History of Knighthood. (London 1784)                                                                                          

 

3. 2  De bronnen

Een Cisterciënzer monnik Christofoor Butkens (1590-1650) stelt de Annales généalogiques de la maison de Lynden, samen waarin Dirk II van Lynden genoemd wordt als St. Jacobsridder. Butkens toont een preuve ( bewijs) uit een charter opgemaakt in een rood leren toernooiboek van de graven en op bladzijde 220, zijn de twaalf ridders van de Jacobsorde en de kampioenen weergegeven. Aubertus Miraeus ( de Mire) een achtenswaardig geestelijke bibliothecaris van het kapittel van de Kathedrale kerk later deken van de O.L.V. kerk te Antwerpen en Marcus Zuerius Boxhorn vormen de hoofdrol spelers met hun gegevens als secundaire bron voor de Orde van St. Jacob. In de historiografie zal dit uitvoerig aan bod komen.

http://www.vanlyndenstichting.nl/joomla/index.php/historie

Historie

Heer van (half) Lienden, Lynden, Lijnden

Voor zover bekend voert het geslacht Van Lynden ons terug naar circa 800 jaar na Christus. In die tijd reist een jongere zoon van de Italiaanse markgraven d’Este (later hertogen van Ferrarra en Modena) af naar Lotharingen. Daar aangekomen verwerft hij heerlijkheid Aspremont. Zijn afstammeling, Arnold, trekt samen met Godfried van Bouillon ter kruisvaart en daarna wordt hij heer van (half) Lienden. Dit alles is genoteerd in 1626 door de monnik C. Butkens in opdracht van Ernest van Lynden, rijksgraaf van Reckheim. Hoewel aan het bestaan van sommige akten waarop Butkens zich baseert getwijfeld wordt (met name aan het al dan niet bestaan van een ridderorde, genaamd St. Jacobs Broederschap en dus de officiële geschiedschrijving geen waarde hecht aan Butkens document), wordt de geloofwaardigheid van het bestaan van de heer van (half) Lienden niet aangetast. Het werk van Butkens is bovendien zo mooi, dat er een exemplaar te bezichtigen is in het Plantijn-Moretus museum te Antwerpen.

 

 

4. Historiografie

Het ridderen en de beperkte documentatie;

Ridderdiploma’s  uit de veertiende eeuw zijn in de Nederlandse archieven niet bekend. De ridderslag was bewijs van het ridderdom en het feit dat de omgeving op de hoogte was van de verheffing, was voldoende bevestiging.  De overgebleven bewijzen van ridderschap zijn de ondertekende en gezegelde oorkondes, die veelvuldig in archieven terug te vinden zijn. Geschiedschrijvers Buchelius en Scriverius hielden het beheer over vele bronnen in de zeventiende eeuw. Daarnaast kent  de Nederlandse geschiedschrijving  talloze in de oudheid opgestelde kronieken.  Kronieken worden in het algemeen niet meer als bron betrouwbaar geacht, maar niet alle inhoud is onwaarheid. De Divisie kroniek 1517 en de Chronijk van Holland 1740, handschrift 1316, beschrijven” het ridderen van veertig ryckste ende oirbare Huysluiden op eerste kerstdag in die hoege Sael in den Haege “( de Ridderzaal). Er is geen reden om dit beschreven feit als onwaar te zien. Scriverius zo kritisch op Butkens neemt wel de Cronijk van Holland over in de Goudse Cronijken. Directe bronnen over de Orde van St. Jacob ontbreken, de kroniekschrijvers geven de vermeldingen nadien de historieschrijvers. 

 De ridderslag is in de dertiende eeuw al ingevoerd, de oorspronkelijke ceremonie voor het ridderschap, de zwaardomgording, zal in de eeuwen daarna in betekenis af nemen. De ridderslag staat symbool voor de toetreding tot een hogere klasse, een fenomeen dat zich ook in de loop van de dertiende eeuw zich meer ontwikkelt. Ridderorden, bestaande uit een groep van gelijkwaardige ridders, ontstaan in Europa voor het eerst in de twaalfde eeuw, vaak in samenhang met de kruistochten. Deze ridderorden kenmerken zich door hun werkzaamheid voor een doel, het dragen van gelijke kleding en het op hun kleding aanbrengen van gelijke ordetekenen. De Orde van St. Jacob kende alleen de schelpenketting met het medaillon van St. Jacob, de in de ridderorde sopgenomen leden droegen hun eigen wapens op de kleding.


4.2 De zestiende eeuwse geschiedschrijving

Voor de Orde van St. Jacob is Jan Janz. Reigersbergh ( 1555) als kroniekschrijver van belang. Hij vermeldt in Dye kroniek van Zeeland  zonder enige bijbedoeling, dat Zeeland een aantal voorname edelen kende:  Op desen tijd regneerden  eñ waren fluere/dye heere van Borsselen metter  zuylen/heeren van ante Martensdijck ende van sommige polders en heer lichenfen int lant van voorne. Heer Francke van Borsselen/die  vanden ondersten heerê  van Borsselen ghecomen  was/heere van Monstere /Heere Pauwels van Borsselen/heere van Brigdamme ende van Soutelande /Wolffaert van Borsselen /heere van die polders van Noordwalcheren /Zandijck/ende  van   tdorpken  vander  Veere heeft altijt die edelste van wapenen in Zeelandt geweest/maer noyt Heere vâ Borsselen by zuydtbevelant. Heer Jan van Renisse/heere van Moermondt in Schouwen/heere  Dadijn van Cruninghen in zuydtbevelant. Dese voorghenoemde waeren dye principaelste heeren op die tijt in Zeelandt/die de oorden des graven droeghen/dwelcke doen ter tijt was eene gulden halsbandt met Sint Jacobs schelpen/daer under ûnt Jacob hangende.                                                                                                                                                      

Jan Reigersbergh belicht hier het draagteken met de St. Jacobschelpen en de opgenomen Zeeuwse ridders van de Orde van St. Jacob.Helaas vertelt hij ons niet meer. In het hoofdstuk  ontbreken belangrijke data  die kunnen verklaren waarom Wolfaert van Borsselen toch in de Orde opgenomen werd, na een zoen in 1296 of was dit voor 1290? De meeste aangegeven ridders dateren van voor 1300. Hoe de afbeelding van St. Jacob er uitziet als ruiter, hangende aan een halsband met Sint Jacobschelpen, of dat hij afgebeeld is als pelgrim blijft gissen. Nader op te merken valt dat niet Butkens maar Boxhorn de gegevens van Reigersbergh zal gebruiken in zijn werk.

4.3 De zeventiende eeuwse geschiedschrijving

Jan François le Petit beschrijft in 1601het gedragen collier, dat aangeduid wordt als de Orde des graven. Dit is een afbeelding van St. Jacob met schelpenketting en tevens vermeldt hij drie en vijftig Hollandse en Zeeuwse ridders als dragers. [17]   Achter  de namen van de heer  Borssele, de heer van Brigdam, de heer van Zandwijk, de heer van Veere , de heer van Moermont en Schouwe, Jan van Renesse en Dadyn van Cruiningnen staat :’’ tous lesquels portoyent l’ordre du Comte qui eftoit un collier dór entrelaffe de coquilles, avec l’image de St. Jacques y appendante ’’.  Zou Le Petit een respectabel historieschrijver uit Dordrecht bewust een grove overdrijving of valsheid schrijven? Zou hij de ridderadel ten tijde van Floris V in een fantasie beeld als dragers van de schelpenketting met het draagteken van de orde des graven willen aanduiden? Dit wordt niet aannemelijk geacht. Kritiek hierop van Scriverius of Buchelius is nergens beschreven.  Le Petit geeft veel aandacht aan de betrokken ridders maar is selectief. In de opsomming komen van de eerste twaalf ridders van de Orde van St. Jacob, zoals die weergegeven zijn, door tijdgenoten Butkens, Miraeus en Boxhorn, alleen Hendrik van Hennenberg, Jacob van Wassenaer, Gijsbrecht van Amstel, Jan van Arkel, Dirk van Brederode, Hugo van Vianen en Otto van Asperen voor. Het werk van Petit is in 1601,  eerder dan dat van de genoemde tijdgenoten  uitgebracht en hij heeft alleen weet van de Zeeuwse ridders. ( zie lijst blz. 14)                                                                              

      Een andere historieschrijver Wouter van Gouthoven geeft in 1620 D’ Oude Chronijcke ende Historien van Holland (met West Friesland van Zeeland en van Utrecht) een opsomming van uit zes en veertig Hollandse ridders. [18] Behalve Wolfaert van Veere en Jan van Renesse vermeld hij de andere Zeeuwse Ridders en het draagteken van de Orde des Graven niet. Zijn boek is op de Divisie –kroniek van Cornelius Aurelius uit 1517 gebaseerd en hij heeft de lijst letterlijk overgenomen. Ook van Scriverius neemt hij lijsten uit Beschrijvinghe van out Batavien[19] over die de Divisie – kroniek in bewerking had genomen om deze als de meest betrouwbare bron te beschouwen.                                                                                                   Van  Gouthoven vraagt zich af of de ook door hem vermelde veertig rijkste eerbaarste huisluyden, die het ridderschap van de Graaf van Holland ontvingen en die financieel in staat waren het ridderschap te dragen, wel door een graaf of hertog als huisluyden geridderd konden worden? Een dergelijke daad zou vanuit Gods wegen alleen door de roomse keizer, paltsgraaf of door zijn directe gezanten gegeven kunnen worden. In de daarop volgende alinea’s komt een opsomming van de zes en veertig ridders die vanuit hun adellijke geboorte altijd geridderd werden en beschouwt hen als een  legitieme groep. Hij opent hiermee de veronderstelling, die ook door historieschrijvers zoals Scriverius wordt gegeven, dat deze edelen zeer ontstemd waren over deze in hun ogen onrechtmatige daad van een graaf die denkt dat hij God is, met de bekende opmerking: “der keerlen God”. Beschouwden van Brederode, van Wassenaar en de andere ridders uit de Orde van St. Jacob hen als te min voor een ridderorde?  Het blijft uiterst merkwaardig dat van Gouthoven zo strikt op het pad van Scriverius is en andere schrijvers zoals Petit en Boxhorn de Zeeuwen duidelijk vermelden.


 

 

De 51 ridders van J.F. Petit  ( 1601)                                                   

Jean van Holland
Hendrik graaf van Hennenberg
Didier van Brederode
Willem van Teylingen
Jan van Heusden
Jan van Heesbeen
Arnold heer van der Sluis
Jan van Arkel
Huguer Buterman heer van Bottersloot
Jan van Heuckelom
Otto van Asperen en Accoy
Peregrin heer van Leerdam
Albert heer van Voorn
Henry burggraaf van Leiden
Jaques van Wassenaar
Didier van Teylingen
Nicolaas de Persyn heer van Waterlandt
Simon van Haarlem
Gijhsbrecht van Amstel
Arnoult van Amstel
Herman van Woerden
Jan de Leck heer van Polanen
Hugo van Vianen
Gijsbrecht van IJsselstein
Wolfert heer van Veere                                                                                                            Jan van Renesse
De Witte van Haamstede
Nicolaas heer van Putten en van Strijen
Willem van Egmond
Gerard van Egmond
Boudewijn van Naaldwijk
Jaques van der Woude
Arnoult van Heemskerk                                                                                                            Gerard van Velzen                                                                                                                    Gerard van Heemskerk
Hendrik van Heemskerk
Didier van der Goude
Didier van Raaphorst
Gerard van Raaphorst
Hugo van Craelingen
Werembault uit den Haage
Albert uit den Haage
Gerard van Haarlem
Jan van Doortooge
Floris van Duven.
De voornaamste edelen van Zeeland                                                                                        De Heer van Borsselen,  heer van Brigdam, heer van Zandwijk, heer van Veere, heer van Moermont en Schouwe
Jan van Renesse
Dadyn van Cruningen, “tous lesquels portoyent l’ordre du Comte qui eftoit un collier dór entrelaffe de coquilles, avec l’image de St. Jacques y appendante «.

 

                                                                                                                                            De 46 Ridders  van W. Van Gouthoven (1620)

Jonkheer Jan graaf van Holland                                                                                                Hendrik graaf van Hennenberg                                                                                                Dierck die goedertierenen Heere van Brederode                                                                Willem Heere van Teylingen                                                                                                      Jan van Heusden
Jan van Heesbeen                                                                                                                    Arent heer van der Sluis  broeder des heren van Heusden                                                      Johan van Arckel                                                                                                                Hughe Botterman heere van Bottersloot                                                                                    Johan Heere van Heuckelen,                                                                                                    Otto heere  van Asperen en Accoy                                                                                            Peregrijn heer van Zeverdam en Zevender                                                                            Aelbrecht heer van Voorn                                                                                                      Hendrik Burggraaf van Leyden                                                                                                  Jacob van Wassenaar                                                                                                                Dierck van Wasssenaar                                                                                                       Dierck van Teylingen                                                                                                                Claes Persijn heer van Waterlandt,                                                                                      Simon van Haarlem.                                                                                                              Gijsbrecht van Aemstel                                                                                                        Arent van Amstel                                                                                                                    Herman van Woerden                                                                                                                Jan van der Lek ende Polanen                                                                                          Gijsbrecht van IJsselstein                                                                                                        Wolfert heer van Veere                                                                                                            Jan van Renesse                                                                                                                Witte van Haemstede                                                                                                              Claes heere van Putten en Strijen                                                                                        Willem van Egmond                                                                                                              Gerrit van Egmond,  zoon                                                                                                        Bouwen van Naaldwijk                                                                                                       Jacob Woude                                                                                                                          Arent van Heemskerk                                                                                                              Gerrit van Velsen                                                                                                                    Gerrit van Heemskerk                                                                                                          Henric van Heemskerk zijn broer                                                                                              Dierk van der Goude                                                                                                              Dierck van Raephorst en                                                                                                          Gherrit zijn broer                                                                                                                    Hugo van Kralingen                                                                                                            Werenbout Uitenhage                                                                                                          Aelbrecht zijn zoon                                                                                                                Gerrit van Harmelen                                                                                                            Jan van der Doortochte                                                                                                            Floris van Duven

 

 

 

                                                                                                 

 

 

4.4  Christofoor Butkens is de volgende in de rij met zijn  o. cist. Preuves Charter et Tittres; Annales Généalogique de la Maison de Lynden.  Dit werk levert  voor de Orde van St. Jacob informatie over:                                                                                                                      1. Thieri II. DV NOM, Seigneur de Lynden, Lede, Oldenweert, Ommeren , &c. Chevalier de l’ordre du Comte d’Hollande. Dit is de later in zijn  werk beschreven Dirck van Lynden,  aan wie Graaf Floris V en elf andere voornaamste heren en hofgenoten zijn orde en ridderschap van St. Jacobs broederschap  gegeven  heeft[20].                                                                                                                                                                                                                                                                                                                    

 

2.  Het de onder 18 beschreven Preuven Extrait.

Extract uit feecker boeck ghebonden in quarto/gheintituleert regifter der ridderfchap/gheteeckent Nombre vier/fol. 105.  

1290 In den jaer ons heeren alfmen schreef duifend ende twee hondert ende negentich/  soo heeft mijne hoege heer Floris Greve van Holaant, Zielant ende Vrieslant open hof gehouden in den Haghe/ ende in volle falle gegheven sijne Orde ende Ridderschap van St. Jacobs broederschap /aen twelf de vornamfte Heeren ende Riddferen vande Hofgenoten /die hiernaer beschrefen ftaen/enz.

3. Het tweede deel bestaat uit:

Extract uyt een seecker boek, ghebonden in aude royden leren overslach geintituleert het Tournoyboek des graven van Hollandt gheschreven in een aut carracter gheteeckent no. 13 ende begint aldus op folio 220:

In 't jaer voerseyt van MCCLXXXX soe heeft mijn hoeghe heer die Greve de ridderen van seyn broederschap een Tournoy aanghericht, waer beroepen waren de vermarste ridderen van dien tijd, en de campioenen waren wel tougherust ende gebardeert elck met hunne wapenen.

>>"De campioenen waren": Dierck Heer tot Brederode ende droech een gulden schilt met een bloedroodige Lieu, met een blau tonge en crijtsen, met een blauw barensteel, ende riep: Hollandt.                                                                                                           

>> De Tweede Campejoen was: Johan Heer tot Heusden, ende droegh een gulden schilt met een root raderken van een spinnewile, ende riep Cleve.                                                      

>> De derde Campejoen was: Heer Dierick Heer van Lynden ende Ter Lee, ende droegh eenen rooden schilt met een vergult Cruijs ende riep, Aspermont.                             

>> De vierde Campejoen was Heer Arent Heer tot IJsselstein, ende droech eenen gouden schilt met een swerte plank daarin waerop een cruys van St. Anderies geschaekt van wit en root, en riep: Amstel ’.

 

4.5 De Cisterciënzer monnik Butkens is vaak bekritiseerd wegens onjuistheden in veel van zijn werken, maar welke kritiek betreft het?

Butkens is al eeuwen onderwerp van kritiek, ook het boven beschreven werk zou de nodige onjuistheden bevatten. Dat Butkens stukken vervalst heeft wijst niet naar een verband met de hierboven genoemde preuve, het is meer de algemene verdenking van zijn werk. Hieronder worden een aantal zaken nader beschouwd om de kritiek te doorgronden.                                                                                                                                       

Allereerst de beschrijving van de kampioenen ( winnaars) in het extrait en hun presentatie.

De strijdkreet der kampioenen Dirk van Brederode, Jan van Heusden en Dirk van Lynden heeft geen kritiek ontlokt. Wel wordt de vierde kampioen onderdeel van latere kritiek. Met de zin dat Arnoud heer van IJsselstein  ‘Amstel’ roept wordt bedoeld dat hij de familie- naam Amstel uitroept.  Deze aanduiding achten critici een onmogelijke daad, nadere uitleg hierover zal bij de beschrijving van de Orde door Boxhorn aan de orde komen op bladzijde 19.

Andere veel gelezen kritiek is de aanduiding vervalsing, of het ontbreken van vermeldingen van verwijzingen naar contemporaine schrijvers in het werk van Butkens. Butkens achtte zijn bronnen betrouwbaar, is dit naïviteit of deskundigheid? De discussies in de negentiende eeuw tonen aan dat Butkens ook in ere hersteld werd van vermeende vervalsingen.

 

Veel besproken is de weergave van Dirk van Lynden die niet bestaan zou hebben. De Annales waren geschreven in opdracht van Ernest van Lynden in 1626 om de genealogie van de familie van Lynden volledig te maken, Butkens heeft deze naam niet verzonnen, maar het totale stuk wordt ook hierop ernstig betwijfeld. Een niet te vinden toernooi boek des Graven  kan niet verwijtbaar zijn, wel zou het de geloofwaardigheid van de gegevens vergroten. Dat Butkens niet de bronnen van de Clerck, Wouter van Gouthoven en Le Petit heeft gebruikt komt omdat daarin geen enkele concrete aanwijzing is gegeven van een officiële gebeurtenis. Zijn preuve is betrouwbaar te achten omdat hij een onafhankelijke, voor hem betrouwbare bron heeft die meer informatie biedt. De bronnen van Petit en van Gouthoven worden ook niet in hun werken vermeld. Butkens vermeldt in de preuve wel duidelijk zijn twee gebruikte bronnen: ” het boek met de rode omslag, aangegeven als het toernooiboek des graven”. Dit geeft uitsluitend de gegevens van het toernooi weer in lettertype 13 en het begint op bladzijde 220. Het register der Ridderschap heeft de stichting van de Orde van St. Jacob gedocumenteerd op bladzijde 105. De vaak gestelde vraag waarom Melis Stoke, de grafelijke geschiedschrijver van Floris V over het toernooi geen documenten heeft gemaakt is niet te beantwoorden en blijven mysteriën die bij zoveel ridderorden worden aangetroffen Het is waar is dat tijdgenoten van Butkens en latere historici onjuistheden in de werken van Butkens hebben aangegeven, met het gevolg dat er achterdocht ontstond over de betrouwbaarheid van de gegevens. Er bestaan aangetoonde valse kronieken[21] en Buchelius en van Riedwijk zijn sterk tegen Butkens gekant wegens het door hun aangegeven vervalsen van oorkonden en het afbeelden van verzonnen heraldische gedenktekens zoals grafstenen en glas-in-loodramen die in zijn Annales généalogiques de la maison de Lynden[22]zijn verwerkt. Onvermijdelijk roept dit op tot kritische beoordeling van de gegevens, maar het is echter niet juist al zijn werk als een vervalsing te zien en er is geen criticus geweest die zijn beschrijving over de instelling van de Orde van St. Jacob als vals kon bewijzen, hoogstens twijfels kon uiten. Ook is Butkens fel bekritiseerd over zijn documentatie van het geslacht Amstel van Mijnden. Wederom staat dit los van andere documenten die wel een betrouwbare informatie bron bleken te zijn. Dat Scriverius in zijn correspondentie met Pontanus de kritiek op Butkens kon overdrijven blijkt uit de verhandeling van Samuel de Wind waarin Butkens onterecht beschuldigd wordt van vervalsing van Charters en dat onwaarheden niet bewust weergegeven werden omdat  het in het verleden eveneens moeizaam werken was met onvolledige stukken als bron.[23] De schrijvers waren niet gewend hun beperkingen op papier te vermelden het geheel diende de grandeur. Baron van Lynden van Hemmen die de verdediging van Butkens in een uitvoerig werk weergaf heeft voldoende aandacht gegeven aan deze problematiek. Zijn werk komt terug in de beschrijving over de literatuur in de negentiende eeuw. In elke discussie blijft cruciaal, het ontbrekende bewijs van de door Butkens en andere beschreven bronnen van het boek der Ridderschap en het toernooiboek, maar dit hoeft niet als onmisbaar worden beschouwd om de gegevens over de oprichting van de Orde te ondersteunen. In vele andere ridderorden ontbreken ook essentiële documenten.

(Mattheus Borrekens, anoniem, 1644, afbeelding C. Butkens, Rijksmuseum)

4.6 Aubertus Miraeus (le Mire) een tijdgenoot van Butkens wordt door alle critici beschouwd als een achtenswaardig geestelijke, werkzaam als bibliothecaris van het kapittel van de Kathedrale kerk en later deken van de O.L.V. kerk te Antwerpen. Van hem zijn geen onvolkomenheden of onrechtmatigheden bekend en hij heeft de informatie uit het Register der Ridderschap in ’s Gravenhage opgetekend en een uittreksel hiervan in de Donationes Belgicae in het Latijn verwerkt. [24] “ Notaio: Sunt haec extracta ex veteri codice Teutonico , quem vocant  registrum Equestre , Register der Ridderschap , in Haga Comites,  & Latine per nos fideliter reddita.  Ex quibus datur intelligi, que familiae nobiles ante annos ccc.& quod excurrit, in Hollania florerint “. Dit betekent dat hij een uittreksel heeft gemaakt uit het in oud Nederduits handschrift opgestelde Haags register der ridderlijke Orders en dit opgenomen (lett: ghevoeght) heeft in het boek der godtvruchtige [25]giften. Dit laatste wordt in twijfel getrokken door Baron van Lijnden van Hemmen die een overname van het extract van Butkens waarschijnlijker acht, hij acht dit niet van groot belang voor de beoordeling van de waarde van het stuk.[26]

Gravure Aubertus Miraeus ca. 1632-1664 · Bron onbekend

Miraeus geeft geen enkele toelichting op Dirck van Lynden en alles wat Butkens over het tournooi in het Extract weergeeft wordt door hem niet overgenomen. In hoofdstuk 124 beschrijft hij de oprichting van de Ridderorde van St. Jacob in Holland gesticht in 1290, met de twaalf eerste ridders in de identieke tekst die door Butkens daaronder in het Latijn is weergegeven. Deze beschrijving is in de uitgaven van 1723 identiek.                                                                                           

  Er is nooit een geleerde of historicus geweest die Albertus Miraeus op onrechtmatigheden heeft kunnen betrappen of enige valsheid in zijn werk .[27] Door de kritiek op Butkens wordt de aandacht van zijn bijdrage verlegd en vaak niet genoemd. Of hij het door Butkens in handen heeft gekregen is niet relevant, een dergelijk expert als Miraeus zou een vervalsing zo doorzien en bij enige twijfel had hij de bron als vals verworpen. Hij blijft echter niet onbesproken. Dat ook Miraeus kritiek kon krijgen getuige een brief van Arnoldus Buchelius aan Aubertus Miraeus bevattende een kritische beschouwing over de Peutinger kaart, die in 1633 door Miraeus bij Hondius in Amsterdam was uitgegeven. Latere auteurs zoals Schoonebeek geven Aubertus Miraeus als directe bron over de Orde van St. Jacob aan. ( blz.23)

                                                                                 

 Theatrum Hollandiae 1632

4.7 Marcus Zuerius Boxhorn een bekend historie schrijver wijdt in 1632 en 1644 enige bladzijden aan het ontstaan en de ridders van de Orde van St. Jacob.[28] Vanaf 1632 (hij was toen 20) bekleedde hij de leerstoel welsprekendheid aan de Universiteit van Leiden. In 1648 werd hij hoogleraar geschiedenis.

 

Hij bekritiseert de kroniek van Holland, van den Clerk uten lagen landen bi der See, omdat tijd en getal niet overeenkomen met de institutie van de Orde van St. Jacob. De Orde is niet met name beschreven en dit geeft verwarring. De kroniekschrijver geeft 1295 aan terwijl het register der ridderschap duidelijk 1290 weergeeft, er zou sprake zijn van 40 verheven ridders terwijl het register maar over 12 ridders spreekt [dit in vergelijking met de beschrijving van W. van Gouthoven en in de Divisie Kroniek]. Reden voor Boxhorn om als bron voor het register der ridderschap te kiezen en hij vermeldt duidelijk de informatie die Butkens en Aubertus Miraeus als bronnen over de orde van St. Jacob noemen het boek der Ridderschap uit den Haag.

Boxhorn schrijft opgelucht dat Jan Reigersbergh de waarheid van de geschiedenis bevestigt en hij schrijft verder dat er ridders in de Orde van St. Jacob zijn opgenomen zowel in Holland als  in Zeeland.                                                                                                            

Butkens heeft de geschiedenis van de Orde der Ridderschap van St. Jacob als eerste uitgebracht in de stamkroniek van de familie van Lynden. Hij heeft een uittreksel gemaakt uit het boek der Ridderschap, uitgebracht in den Haag.  Daarna heeft de hooggeleerde Aubertus Miraeus het opgenomen in zijn boek der Godvruchtige giften. Boxhorn geeft tevens aan dat Miraeus beschrijft welke ridders evenals de Graaf in de Orde van de Schelp zijn opgenomen. Het is weergegeven in de uitgebrachte uitgaven van de oorsproncken der Ridderen en Miraeus is bereid tot herdruk, zoals hij aan Boxhorn in zijn brieven bevestigt. Dit zegt ons veel; allereerst gebruikt hij de uitdrukking Ridders van de Orde van de Schelp en verwijst hij naar het voorbeeld van de schelpenketting van de later in 1469 ingestelde Orde van St. Michael. Om dit te benadrukken vermijdt hij de omschrijving orde des graven, de door Petit genoemde omschrijving. Het boek der ridderschap heeft meerdere lezers gekend, Miraeus is er zo van overtuigd dat hij tot herdruk van zijn Donaties toestemt. Hierover is tussen Boxhorn en Miraeus  een terug te vinden correspondentie geweest. Butkens heeft h het uittreksel gemaakt, of overgenomen en dit als eerste verwerkt in de stamkroniek van de familie van Lynden. Tot slot ergert Boxhorn zich duidelijk in het hoofdstuk zich aan de opgetreden verwarring ontstaan door de losse gegevens over het ridderen, de huislieden en het verhaal over een opgerichte Orde van St. Jacob en laat de informatie verder ter keuze aan de lezer over. Op bladzijde 70 volgen de gegevens over het toernooi in het Additamentum ( de bijlage) [29]. Hierin vermeldt hij dat hij de gegevens ontleent aan een kopie uit een handgeschreven toernooiboek van de Hollandse graven, dat zich in een archief of privé verzameling bevindt. Scriverius had hem een kopie hiervan laten lezen. Er moeten dus meerdere kopieën zijn geweest. Hier is ook weer het jaartal in Romeinse cijfers opvallend. Weergegeven is: ‘Anno MCCXXCX ‘, dit is een onmogelijke cijfercombinatie en moet een verschrijving zijn van MCCXXXX. De discussie over de te corrigeren vermelding ‘MCCLXXXX’ is in de literatuur terug te vinden, maar er zijn ook uitgaven van de Annales bekend waar geen Romeinse cijfers gehanteerd worden en er 1290 weergegeven staat, het geen die discussie overbodig maakt. Baron van Lynden acht 1290 geen passend jaartal afgaande op de omstandigheden in Holland en meent dat er een verschrijving is en dat MCCLXXXX, MCCLXXIX moet zijn. [30] Ook is Schaekspelen vermeld. De beschrijving ‘Schaekspelen’ kan niet anders dan steekspelen betekenen passende bij het beschreven toernooi. Ten slotte is het onder het zelfde nummer met letter 13 en bladzijde 220 als Butkens weergegeven, met nadrukt vermeld dat het niet is overgeschreven en niet vertaald uit de Donationes Belgicae van Miraeus. [31] Het Theatrum Hollandiae is met steun van Scriverius en Pontanus samengesteld. Boxhorn heeft zijn werk nooit herroepen, hetgeen aangeeft dat hij zijn werk volledig betrouwbaar achtte.

Arnoldus Buchelius meent als erkend deskundige in de wapenkunde de nodige kritiek op de werken van anderen te moeten uiten en bericht dit aan Scriverius als leermeester.[32] Buchelius acht het beschreven toernooiboek hoogstwaarschijnlijk [niet zeker] een vervalsing.[33] Buchelius heeft grote bezwaren tegen verwijzingen naar de boeken, waaruit Butkens zijn informatie heeft gehaald en die Buchelius niet kan traceren.

 

De kwestie van de vierde kampioen ‘Heer Arent Heer tot IJsselstein’, te lezen onderaan op bladzijde achttien van het Extract van het toernooiboek, is ook interessant. Butkens heeft de derde kampioen Dirk van Lynden Aspremont laten roepen en dit zou de gelegenheid bieden om Arnoud ( Arent) van IJsselstein, ‘Amstel’ te laten roepen als vierde kampioen. Het bewijs van vervalsing is, volgens Buchelius, uit de beschrijving van het wapenschild af te leiden. Zeker was dat Arend als broer van Gijsbrecht IV uitgebreide leengoederen bezat en het kan zijn dat hij de naam IJsselstein nog niet voerde. Butkens wilde echter duidelijk aangeven om wie het betrof een echte” Amstel telg”.

Butkens beschrijft het als volgt; “Heer Arent heer tot IJsselstein droeg een gouden schild met een zwarte plank daar in waarop een kruis van St. Andries gemaakt van wit en rood, riep Amstel”. Arnoud was in 1279 heer van IJsselstein, zijn zoon Gijsbrecht heeft zeker de naam IJsselstein gevoerd.[34] Een fout van Butkens, bewust opgeschreven herkenbaar als anachronisme? De bewuste aanduiding is geen reden om dit als een zware vervalsing te beschouwen. IJsselstein kwam in handen van een tak van de familie van Amstel, die zich lokaal ook wel IJsselstein noemde.[35]Dat vergissing mogelijk is blijkt ook uit het latere werk van van Spaen, die Gijsbrecht met Arnoud verwart.[36]  Van Spaen is nooit als vervalser aangegeven.

Kortom, Boxhorn, Butkens en Aubertus Miraeus moeten onafhankelijk het boek der ridderschap en het toernooiboek hebben beoordeeld en met een eigen visie de gegevens hebben verwerkt. Allen geven een oprichting van de Orde weer. In geen van de werken wordt over een opheffing van de Orde van St. Jacob geschreven.

4.8 Oorkonden ridderen ridderslag ridderadel ridderschap adelsbrieven en de omschrijvingen [37]

Het ridderen is de omschrijving voor de verheffing van een persoon tot de ridderstand, met het verkrijgen van de ridder titel. Het ridderen kende een aantal rituelen die plaatsvonden voor en tijdens het ridderen. De rituelen werden in de loop der tijd aangepast. Ridderen in de tijd van Floris V was een ceremonie die begon met een bad, gevolgd door het aantrekken van feestelijke kleding. Tijdens de ceremonie aanschouwden de genodigden de omgording van de wapenrusting, de ontvangst van de sporen en de enkele ridderslag in de nek met de vuist, de vlakke hand of het zwaard. Na de plechtigheid volgde een toernooi. Over de precieze ridderwijding bestaan geen Hollandse bronnen, er wordt slechts over ridderen gesproken.                                                                           

    Ridderstand ontstond als een nieuwe sociale klasse van ridders, als niet adellijke ridders en leden van de oude adel. De ridder werd aangesproken als heer, een eretiteldie in de beschrijving van Butkens van de kampioenen duidelijk aangegeven is. Een Ridderschap omvat ridders en knapen. Adelsbrieven waren het bewijs van verkregen adel, een ridder kon niet zonder adelsbrief toetreden tot de adel, omgekeerd hield een adelsbrief geen titel van ridder in. De kroniek van den Clerc uten lagen landen bider see  geeft een voorbeeld van het ridderen van 40 huysluiden op eerste kerstdag[38].  Een ander spectaculair feit is dat er meer dan 40 knapen op de vooravond van de veldslag bij Zierikzee op 20 maart 1304 tot ridder worden geslagen waaronder de Witte van Haemstede.[39]             Pas in 1336 wordt de ceremonie met tijd, plaats en persoon en de te ontvangen ridderslag van Willem IV  summier beschreven[40].               Het ridderen had een duidelijk doel, voor Floris V zijn ridderschap uit te breiden en geen militaire status te verlenen. Het ridderen voor de slag bij Zierikzee was bedoeld dapperheid aan te moedigen, een beloning vooraf. Dit geeft aan dat er een verschil bestaat tussen het ridderen en de opname in een ridderlijke orde waar het ontvangen van de versierselen de belangrijkste eer is en geen ridderslag heeft plaatsgevonden.

4.9 De reformatie en de Orde van St. Jacob

Volgens de katholieke encyclopedie zou de Orde rond 1580 opgehouden hebben te bestaan, waarmee aangegeven is dat de reformatie een katholieke gezindheid niet toestond. Een charter van een protestantse tak zoals die gevormd is in de toen aanwezige militaire orden is niet bekend. Het zou de Hospitaalridders en Duitse Orde zijn toegestaan tot 1620 als katholieken hun bezittingen te beheren.[41] Een Geuzenlied uit 1575 vertelt over een slachting onder Cruysheren (die het Jacobskruis van de Orde van St. Jacob droegen) na de slag Bij Bergen op Zoom. Dit zijn ridders geweest die het kruisteken van de Spaanse Orde van St. Jacob gedragen hebben.      

De Hollandse Orde blijft ook in die tijd in nevelen gehuld. Ondanks wat Kudrop van Ruwiell [42] beweert is er geen verband met de Hollandse en Spaanse Orde van Sint Jacob, voluit Militaire Orde van Sint Jacob van het Zwaard of Orde van Santiago geheten. (Spaans: "Orden Militar de Santiago de la Espanada" en Portugees: "Ordem Militar de Sant'Iago da Espada") geheten, is een oude Spaanse militaire ridderorde die in 1170 werd gesticht, waarvan de in 2014  afgetreden koning Juan Carlos I nu grootmeester is. De eerste naam die beschreven wordt in een boek der Staten Generaal, watermerk 1745, is J.E. Folckeren als ridder Ordre St. Jacob, gelegeerde van Sypesteyn.   

                                                                                                                                             4.10 Geschiedschrijving in de Verenigde Zeven Provinciën

In het charterboek van Thomas de Rouck ( 1673) siert weer de schelpen ketting met de H’s van Holland (zie voorbeeld ontwerp 1815) en zo wordt de Orde regelmatig in boeken vermeld in de achttiende eeuw. Waardevol is ook een in 1724 uitgebrachte catalogus van ridderorden samengesteld door Jezuïeten.[43] Voor en tegenstanders schrijven hun documentatie gekoppeld aan Zeeuwse oudheden, Amstelland en den Haag en in het Charter Boek van de Graven van Holland. De informatie van de historieschrijvers wordt in zeker twintig werken beschreven en van commentaar voorzien. Franstalige literatuur toont het langst afbeeldingen in de bundels over ridders en militaire orden in de achttiende en negentiende eeuw. [44]

                                                                       

Draagteken Orde van St. Jacob  ( Rammelsberg 1743).

Rammelsberg toont dat de schelpenketting vervangen wordt door een wit zwart lint, later dragen de ridders een Maltezer kruis met schelpen aan een zwart lint.[45]

Verzamelde afbeeldingen van draagtekens van ridderorden zijn zeldzaam in de Nederlandse historie. Pas in de negentiende eeuw bestond hier uitgebreidere belangstelling voor. De gravures van Adriaan Schoonebeek komen veelvuldig voor in Franse boeken over ridderorden.[46]

                                                               

Adriaan Schoonebeek toont ons in de afbeelding de ketting met H’s en schelpen die wordt gedragen door een ridder van St. Jacob op het Binnenhof. De afbeeldingen die in de Franse literatuur worden weergegeven volgen de informatie van Reigersbergh en Boxhorn die alleen een gouden ketting met 5 schelpen beschrijven, Butkens had zeven schelpen getekend.

4.10 Het koninkrijk der Nederlanden

In 1814 wordt Nederland begiftigd met een nieuwe koning Willem I die ter ere van zijn regeren verzoekt tot instelling van een militaire en civiele orde. Na 500 jaar lijkt het even of de voorgestelde Orde van St. Jacob weer een plaats in het koninkrijk gaat krijgen maar de ontwerpen worden afgekeurd en de Hoge Raad van Adel adviseert een nieuwe naam: de Orde van de Nederlandse Leeuw. Vanuit de Hoge Raad van Adel is tussen 1825-1827 veel discussie ontstaan betreffende het geslacht van Lijnden, Butkens en de Orde van St. Jacob. In de dertiger jaren komt er aanvaarding en het loslaten van discussie over storende details.[47]   Er is nu kans op verbondenheid in de historie over Floris V en de Orde. Ondersteund met de uitgewerkte historische gegevens voeren de H.H. studenten der Hogeschool Leiden een maskerade op over de instelling van de Orde van St. Jacob in 1845 met wapenschilden en nauwkeurige beschrijvingen van het grafelijk gevolg.

De Orde van St. Jacob blijft een inspiratiebron voor taalkundigen die met schoolboeken en historische romans een bijdrage leveren over de wereld van Floris V.[48] Grote voorbeelden zijn Van Lennep en Hofdijk, die de installatie van de ridders in de Orde van St. Jacob beschrijven in hun werken en geschiedenisboeken. In een maskerade met vijftien historische thema’s komt in 1885 de Orde van St. Jacob weer terug. Het volgende hoofdstuk geeft hier uitgebreidere informatie over.   De overlevering van het archief van de Orde van St. Jacob voordat dit als Stichting Souvereine Orde van St. Jacob in Holland in 1994 geregistreerd werd is zeer gering en bestaat slechts uit enkele draagtekens, boeken en foto’s. Vele aan de Orde verbonden namen zijn na mondelinge overdracht gearchiveerd. Deze waren opgetekend in een Naemboeck in een Carmalietenklooster. Op een lijst worden de Witte van Haemstede, Jan Zuurmond, Franc van Borselen, Willem van Hoorne, van Tuijll van Serooskerken als leden van de Orde van St. Jacob vermeld, naast diverse andere namen. Meer dan deze wetenschap bezit de Souvereine Orde van St. Jacob in Holland niet. Op het herstel van een volwaardig archief richt zich verder onderzoek van uit de Stichting Historisch Onderzoek Hollant.

 

4.11 Samenvatting eerste deel

Jan Reigersbergh is de eerste historie schrijver die in de 16e eeuw melding maakt van een draagteken, de orde des Graven bestaande uit vijf Jacobschelpen met daaronder de beeltenis van St. Jacob hangende. Petit neemt deze gegevens over, Butkens ontleent uit het boek der Ridderschap de gegevens van een opgerichte orde en uit een toernooiboek het verloop van het ter ere van de oprichting gegeven toernooi met vier kampioenen. Albertus de Miraeus ontleent eveneens zijn gegevens aan het boek der Ridderschap, maar beschrijft het toernooi niet. Boxhorn krijgt ter inzage bij Scriverius een uittreksel uit het boek der ridderschap, schrijft een kritische noot over de kroniekschrijvers en noemt de Orde ingesteld door de Graaf, de Orde van de Schelp. Tevens neemt hij de gegevens van Butkens over het toernooi zonder aanvullingen in het Theatrum Hollandiae op.

    Bovenvermelde beschrijvingen over de ingestelde Orde van St. Jacob van Holland geven aanleiding tot inhoudelijke kritiek en pennenstrijd over tijd en personen met het onderhouden van twijfel. Desondanks heeft het ontbreken van het boek der ridderschap in de archieven niet geresulteerd in de absolute ontkenning van het ontstaan van de Orde van St. Jacob, hoewel historici liever er toe zwijgen.

5. Discussie en geschriften over de Orde van St. Jacob in de negentiende eeuw.

5. 1 Het begin van de eeuw en de Napoleontische erfenis

Na de instelling van de Orde van het Gulden Vlies  en de opstand tegen de Spanjaarden heeft ook de Republiek der Verenigde Zeven Provincies geen door de stadhouder beschermde ridderorde. Dat de herinnering aan het prestige van de eerste Gulden Vlies ridders een bijdrage heeft gegeven tot inspiratie van de zestiende eeuwse geschiedschrijvers om over Floris V en zijn eigen ridderorde te schrijven is nergens aantoonbaar en is als een onjuiste veronderstelling te achten[49]

 

In 1801 is Holland nog onderdeel van de Bataafse republiek en het krijgt in 1806 een Franse koning Lodewijk Napoleon. Al snel begint de vorst zijn eigen ridderorden te ontwerpen, ondanks grote bezwaren van zijn broer keizer Napoleon hiertegen. Op twaalf december 1806 worden twee ridderorden ingesteld; "Groote Order van de Unie" en de "Koninklijke Orde van Verdienste". De spanning met zijn broer blijft en als compromis zal hij de twee orden samensmelten tot Koninklijke Orde der Unie in 1808. Na de inlijving van de Bataafse Republiek in het keizerrijk wordt deze orde in 1812 verboden, nadat er in 1811 de Orde van de Reünie is ingesteld door keizer Napoleon. Na de restauratie van het koninkrijk heft koning Lodewijk VXIII van Frankrijk de Orde van de Reünie in 1815 op.

     De inlijving in het Franse Keizerrijk wordt ongedaan gemaakt als de geallieerden Napoleon verslaan en Frederik Willem, zoon van Willem V, naar de erfrechten vorst van de Verenigde Nederlanden wordt. De Noordelijke en de voormalige Habsburgse Zuidelijke Nederlanden worden bijeengevoegd en de opvolger uit de stadhouder familie van Oranje Nassau wordt in Amsterdam in 1814 als koning Willem I ingehuldigd. [50]       

In de negentiende eeuw ontstaan grote veranderingen op sociaal en economisch terrein. Staatsvormen in Europa ondergaan ook veranderingen en op het congres van Wenen (1813), worden nieuwe grenzen vastgesteld uit gevormde koninkrijken om het eens zo machtige Frankrijk met bufferstaten te omringen. De tijd van de republiek is voorgoed voorbij en de koning maakt haast met het herstel van de gevestigde orde. Koning Willem I laat zich vanaf 1814 door de gevormde Hoge Raad van Adel [51]adviseren over nieuw in te stellen ridderorden. Daarnaast zullen velen van Nederlandse Adel erkend worden, niet alleen adel die in de Bataafse republiek afgeschaft was, maar er ook nieuwe adel wordt benoemd en Ridderschappen worden heropgericht.[52]                                                                                                                    Na eeuwen van afwezigheid stellen twee koningen in het begin van de eeuw kort na elkaar in Holland ridderorden in met wat overeenkomsten. Beide koningen streefden het zelfde doel na; het verlenen van een eer, met een daar aan gekoppelde financiële ondersteuning. Dit hield een jaarlijks inkomen in voor commandeurs van de Orde van de Unie, of een jaarlijks pensioen voor de Militaire Willemsorde. Beide orden creëerden ook nieuwe ridders. Hier waren de uitgangspunten verschillend, de eerste koning van Holland, Louis Napoleon Bonaparte stelde een Franse civiele orde in, de eerste Nederlandse Koning Willem I stelde een Nederlandse dapperheidonderscheiding, de Militaire Willemsorde in. Ook in de letterkundige uitingen ontstaan veranderingen. Willem Bilderdijk wordt het voorbeeld van nieuwe taken, hij is het die taalhervorming sterk aanmoedigt. Het woord krijg een machtig effect.  Literatuur wordt het instrument van nationalistische beeldvorming, met aandacht voor volkshelden en beschrijving van historische figuren. Aandacht voor oude literatuur herleeft, archieven worden geopend en geschoond.

5.2 Literatuur in de negentiende eeuw met betrekking tot ridderorden

Ridderorden krijgen belangstelling en in het volgende overzicht worden een aantal schrijvers genoemd die zich hierin verdiepten als eerste zal Willem Hendrik van Westreenen besproken worden.

      Van Westreenen maakt eerst carrière onder Frans bewind.Als directeur van de Academie der letteren van Zeeland en lid van de Academie der letteren in Leiden publiceert hij in 1807 een overzicht van oude ridderorden die door vorsten gesticht waren. Hiermee onderneemt hij een poging om zijn functie als adjunct archivaris van het Koninkrijk niveau te geven.Hij geeft een korte beschrijving van de Orde van St. Jacob, de Orde van St. Antonius, de Orde van de Tuin, de Orde van het Gulden Vlies en de Orde van St. Joris. In de laatste orde werd hij wegens zijn kwaliteiten benoemd tot archivarishistoriograaf. In feite verzoekt hij Hendrik van Wijn[53] het voorwerk te doen en laat hij zich onderrichten in genealogie en heraldiek. Bij hem ontwikkelt zich een verlangen om in veel ridderorden onderscheiden te worden. Zoekend in het verleden blijkt er maar een beperkte mogelijkheid van keuze te bestaan. De Orde van St. Antonius en de Tuin waren al eeuwen opgeheven, de Orde van St. Jacob blijft in de literatuur vermeld maar er is aangegeven twijfel over de bron. De Orde van het Gulden Vlies was onbereikbaar, maar de Orde van St. Joris leek hem met steun van Lodewijk Napoleon het makkelijkst te re-installeren. Dit is de eerste stap om ridderorden te verkrijgen. Het gebrekkige epistel van Hendrik Westreenen over de Orde van St. Jacob [54]kan niet gezien worden als een studie het is meer een samenvatting van bekend materiaal. Over de Orde van St. Jacob is er geen nieuws te melden. Vanuit het gegeven dat de onvermoeibare van Wijn geen diploma uit het boek der ridderschap als bewijs kon vinden, zal van Westreenen aannemen dat de beschreven instelling van de Orde van St. Jacob niet heeft plaatsgevonden. Van Wijn heeft er wijselijk de voorkeur aangegeven de vermeldingen van Wagenaar over in de orde opgenomen ridders niet aan te vullen, maar ook niet te bestrijden.[55] Natuurlijk waren er maar weinigen die het magistrale werk van Wagenaar konden bekritiseren. Van Wijn wist als menig ander dat er vele documenten uit de middeleeuwen verloren waren gegaan, zoals de grafelijke oorkonden die opgeslagen waren in de kanselarij te Egmond. Dat van Wijn ook het charter van het toernooi niet heeft kunnen vinden is niet vreemd, er ontbrak wel het een en ander in het archief. Dit wetende is het niet vinden geen bewijs dat het charter nooit heeft bestaan. Meerdere schrijvers zijn hiernaar tevergeefs op zoek geweest, en leggen zich neer bij de conclusie is dat het onvindbaar is of mogelijk vernietigd.

       Het mager opgezette werkstuk van Westreenen moest de inleiding vormen voor een nieuwe ridderorde ( van de Unie) en om de koning te behagen is het in het Frans geschreven. In 1806 worden  Meermanum en van Wijn tot ridders in de Orde van de Unie  benoemd en vervolgens wordt W.H.J. van Westreenen op 23 jarige leeftijd benoemd tot historieschrijver van de Orde van de Unie. Zijn naam wordt  vermeld in het dagelijks bestuur van het kapittel, [56] samen met Ridder Falck, die de functie van secretaris  heeft. Hij is in 1809 voor ridder van de Orde van de Unie voorgedragen en is te vinden op de lijst van ridders van de Unie. Later werd beweerd dat Falck de orde samen met anderen geweigerd zou hebben.[57] , maar Falck kreeg zowel de Orde van de Unie in 1807 als de Orde van de Reünie in 1812.

Hendrik van Wijn, oud raadpensionaris van Gouda, wordt in 1802 benoemd voor 5 jaar tot archivaris van de Bataafse republiek. Hij wordt hiermee de archivaris van Holland en zal zich volledig inzetten voor de ontwikkeling van het openbaar archief wezen. Lodewijk Napoleon geeft hem een vaste aanstelling. Hij kreeg met zijn aanstelling de opdracht onderzoek te doen naar archieven tot 1648.

Het verlangen van Westreenen; het ontvangen van onderscheidingen en titels zou beloond worden. Inlijving in de hogere Nederlandse adel werd bereikt nadat hij het landgoed Tiellandt kocht. Zowel bij Lodewijk Napoleon als Willem I was zijn gedrag opvallend genoeg om hiervoor beloond te worden. Na zijn werk voor de Orde van de Unie weet hij een plaats te krijgen in de Hoge Raad van Adel als thesaurier. Hij werd in 1815 verheven in de Nederlandse adel, in 1818 verkreeg hij de titel van ridder, overgaande op al zijn wettige mannelijke afstammelingen, in 1825 krijgt hij de titel van baron. In 1835 wordt hij lid van de Hoge Raad van Adel. Meerdere promoties heeft hij te danken aan zijn rang kamerheer i.b.d. van koning Willem II, de vrijmetselaar, die goed voor zijn broeders zorgt. Na zijn boekje over ridderorden heeft Westreenen nooit meer iets over het onderwerp geschreven.

Mr. A.R. Falck was van 1802-1805 secretaris van het Nederlandse gezantschap in Madrid. Vanuit een positie in het voorlopige bewind benoemt koning Willem I hem tot algemeen secretaris.Een hoge post voor een niet onbekende revolutionair. Net als Talleyrant in Frankrijk past hij zich razend snel aan de nieuwe vorst aan. Hij blijft altijd onduidelijk in het aanvaarden van Ridderorden en titels, maar als vrijmetselaar en na de Orde van Unie en Reünie eindigde hij als Commandeur van de Nederlandse Leeuw en in de Nederlandse adel als baron. Zijn geuite afkeer van linten in de correspondentie betreffende de koninklijke ridderorden  komt hiermee vreemd over.[58]   Als secretaris van staat is hij betrokken met de nieuw in te stellen ridderorden in 1815, het jaar waarin de nieuwe vorst zijn naam wil verbinden aan nieuwe ridderorden. Er zijn een aantal vertrouwelingen in betrokken. Als eerste adviseur diende generaal W.J. Janssen. Hij was het die de koning, namens de officieren die buitenlandse onderscheidingen wegens dapperheid hadden ontvangen, toestemming vroeg die te mogen dragen. Wegens artikel 44 van de Grondwet in 1814, was dit verboden zonder toestemming van de vorst. Tevens verzocht hij de koning om een ridderorde in te stellen voor civiele en militaire verdiensten en wel voor alle rangen. Uiteindelijk bepaalt de hoge Raad van Adel het verloop.Zij komt met voorstellen voor militaire en een civiele ridderorde, maar de koning aanvaard op advies alleen het voorstel van de Militaire Willemsorde. De ingediende voorstellen van het herstellen van het Order van St. Jacob in Holland en het Bourgondisch Kruys, keurt de Hoge Raad van Adel in naam van de heer van Spaen zelf af.[59] In de grondwetswijziging van 1815 met de vereniging der noordelijk en Zuidelijke Nederlanden worden adel en ridderorde twee onafhankelijke instellingen.[60]  De Raad van State doet dan het voorstel de orde van de Nederlandse Leeuw in te stellen. De rol van Falck en van mr. M.L. d’ Yvoy van Mijdrecht [61], bekende vrijmetselaars, bleek bepalend voor de beslissing tot het instellen van orde der Nederlandse Leeuw. De laatste zal in zijn pennestrijd met Lynden van Hemmen vanaf 1827 zijn motivatie in de afkeuring van de Orde van St. Jacob niet verhullen. Zoals aangegeven komt de Orde van St. Jacob in even onder de aandacht voor ree-institutie, maar wie zijn de ontwerpers geweest? Wederom een niet te beantwoorden vraag. Helaas is de documentatie over de voorbereiding van de ontwerpen niet bewaard en een naam is ook nergens vermeld. Het is verleidelijk maar het zou te ver gaan om te veronderstellen dat leden van de Orde dit voorstel zelf hebben gedaan. Indien dit onmogelijk was is het toch opmerkelijk dat dit oude gegeven van de ridderorde onder de aandacht komt. Zelm van Eldik heeft alle betreffende archieven na gespeurd en kon geen enkele aanwijzing vinden over motieven en achtergronden[62]. In het rijksarchief is slechts een getekend ontwerp van het draagteken voor de rang van commandeur. Een halslint blauw, met smalle oranje banen.

Op een versiersel een blauw veld met een gouden ruiter. Op de keerzijde van de schelpen staat rechts Floris V, boven, FON 1290, rechts, Wilh I, onder, REN 1814. De tekst op de brief omvat de eerste alinea uit de beschrijving van de ridderorde door Thomas de Rouck, het derde stuk omvat een kort begeleidend briefje over de gegevens van Thomas de Rouck betreffende achtergrondgegevens van de orden.

De andere orden die van Westreenen, als letterkundige met historische belangstelling, in 1807 als adjunct archivaris van het koninkrijk [63] beschreven had, zijn niet verder in behandeling genomen, het Bourgondisch kruys was ingesteld door Karel V in Tunis in 1535. De ontwerpen renovatie ( Ren) van de Orde van St. Jacob en de Orde van het Bourgondisch kruis werden naar de president van de Hoge Raad van Adel, mr. baron van Spaen la Lecq, door mr. A.R. Falck met een begeleidende brief gezonden. Een directe behandeling resulteerde in afwijzing van de ontwerpen voor het betreffende doel en het lid Jhr. mr. M.L. d’ Yvoy van Mijdrecht licht de koning over de beslissing in. Hangest D'Yvoy van Mijdrecht werd op 28 augustus 1814 benoemd in de ridderschap van Utrecht waarmee hij tot de Nederlandse adel ging behoren. (Andere verwanten werden later ingelijfd.) Hij kreeg bij KB van 8 juli 1816, net als zijn verwanten, de titel van baron. De genealoog Bijleveld was uiterst kritisch over de adeldom van het geslacht, publiceerde erover en maakt het definitief in 1949: "Ingelijfd als baron op alle 1816, zonder eenig recht daarop en met vervalschte stukken verkregen". [64]

Twee elementen vallen in de correspondentie van Hangest D’Yvoy van Mijdrecht op. Ten eerste is gedacht over een renovatie van een historische orde en in het advies in de brief zijn weldoordachte opmerkingen gemaakt: “dan daar het Order van het Bourgondisch kruys, zo min als dat van St. Jacob in Holland, zo dezelve al bestaan hebben eenige betrekking tot de Nederlanden gehad hebbe, maar het als een teken by eenen bijzondere gelegenheid gegeven, het ander veellicht als een broederschap of byzondere Vereeninging van personen voor de leeff-tyd van een Vorst ingesteld , mogen beschouwd worden , komt het den Raad voor dat de aandenzelven toegezondene Insignia zouden beantwoorden aan de Staat van zaken Zaken…..enz.”Een afwijzing met inhoudelijke kanttekeningen. Twijfel over het bestaan van de Orde wordt hier duidelijk aangegeven, maar het is geen verwijzing naar een mythe. Ten tweede komt het woord broederschap of bijzondere vereniging in de regels voor met de geldigheid tot het overlijden van de vorst aan het hoofd van deze broederschap, een grootmeester. De renovatie zou met dit gegeven een ingewikkelde procedure worden. De koning zou geen belang hebben bij een broederschap, Het zou nog moeilijker worden als een bestaande broederschap met draagtekens koninklijk gemaakt moest worden. De aangegeven publicaties van de Orde, zoals die in Rammelsberg te zien zijn in 1744 als jetzt florirende gräfliche Ritterorden, de publicatie in 1784 van Hugh Clark, in his Concise History of Knighthood en het lid van de Staten Generaal J.E. Folckeren ridder in de Orde van St. Jacob in 1755, waren niet als bron gebruikt. De uitgaven van Thomas de Rouck uit de zeventiende eeuw bleek een onvoldoende ondersteuning. Dan nog is het opvallend dat er een totaal nieuw concept ontstaat. Alle bijzondere concepten zouden vervangen worden door het op grote schaal ingevoerde Maltezerkruis model.    Ondanks een eerste afwijzing van het ontwerp voor de Orde van het Bourgondisch Kruis, doen van Spaen la Lecq eerst en daarna Snoukaert van Schauburg zelfs met 38 artikelen en schetsen twee maanden later een nieuw voorstel.

De laatste krijgt met zijn voorstellen geen enkele bijval en van Spaen was vernietigend in zijn oordeel.[65] Al met al, het Bourgondisch kruys was al terug te vinden in de Willemsorde en de Raad van State adviseerde na beraad de Nederlandse Leeuw als nieuwe civiele orde.

 

5.3 De eerste voorzitters van de Hoge Raad van Adel en hun ambtstermijn.

     

1814 - 1817

Mr. W.A. baron van Spaen la Lecq

 

1817 - 1818

 M.L. van Hangest baron d'Yvoy van Mijdrecht (fungerend)

 

1818 - 1845

F.G. baron van Lijnden van Hemmen

 

         

 

In 1827 ontstaat er in de Algemene Kunst en Letterbode een felle briefwisseling tussen baron van Lynden van Hemmen, baron d ‘Yvoy van Mijdrecht ( alias Q.N.) en baron Snoukaert van Schauburg      ( alias van A tot Z) waarin de Preuves en Chartres van Butkens in de Annales van de familie van Lynden uitgebreid aan bod komen en Van Lynden van Hemmen tot het uiterste gaat om Butkens te verdedigen. De geschiedschrijving over ridderorden ligt al jaren stil en drie leden van de Hoge Raad van Adel bestoken elkaar met genadeloze oordelen over de instelling van de Orde van St. Jacob. Van Lynden acht de familie naam beschadigd, en Q.N. voor de onthulling van zijn alias, verzacht zijn oordeel door te stellen dat hij de instelling van de Orde niet betwist had in 1290 maar wel de aanwezigheid van de vermelde ridders in dat jaar betwistte. Van Lynden geeft als oplossing het jaartal  1279 te beschouwen voor de oprichting van de Orde, maar telkens worden tegenargumenten in de voortdurende discussie gebruikt die steeds meer persoonlijker wordt.                                                           De strijd blijft onbeslist, maar laat zijn sporen na, voortaan zullen voor en tegenstanders hiernaar verwijzen. In een tijd waarin er roekeloos omgesprongen werd met het verlenen van adellijke titels aan diegenen die in de gunst van de koning kwamen blijkt dat de Hoge Raad van Adel niet op zijn moeilijke taak berekend was. De deskundigheid die van Spaen la Lecq bezat was onmisbaar maar door zijn vroege overlijden viel het tegenwicht tot juiste oordeelsvorm weg. Een dergelijke raad moest oordelen over renovatie van de Orde van St. Jacob.[66]                                                                                                                                                                                  In de Hoge Raad van Adel is ook Henrik van Wijn lid, een archivaris die altijd twijfels gehad heeft over het zo stelling willen ontkennen van de Orde van St. Jacob, mengt zich niet in de discussie. De hierboven beschreven van Westreenen is in 1815 Thesaurier en wordt pas in 1835 lid, zijn mening bleef gehandhaafd. De heer van Spaen wordt de eerste voorzitter van de raad. Hij schrijft in 1807 een verhandeling over Amstel- IJsselstein, waarin hij Gijsbrecht van Amstel als Ridder van St. Jacob aangeeft. Later blijkt dat in het handgeschreven archief van Snouckaert van Schauburg, Otto en Jan van Arkel als ridders van Sint Jacob genoemd worden.[67] Waren zij dit soms vergeten?

Willem Anne baron van Spaen La Lecq

De Hoge Raad van Adel, het advies orgaan voor adelszaken en heraldiek opgericht in 1814 bij Souverein besluit zal als eerste voorzitter Willem Anne baron van Spaen la Lecq (1750-1817) benoemen. Hij is een ervaren genealoog en groot deskundige op het gebied van wet en regelgeving voor de Nederlandse Adel. Ook is hij Lid van de eerste kamer en van de Ridderschap Gelderland. Van Spaen schrijft ter opheldering van het grote werk van Wagenaar over Amsterdam een historie over de Heeren van Amstel, van Ysselstein en van Mynden.[68]en maakt een onbedoelde vergissing. Van Lynden van Hemmen corrigeert hem op blz. 99 in zijn twee brieven over de St. Jacobsbroederschap.

Terug naar 1807, toen was van Spaen adviseur van Lodewijk Napoleon, in commission spéciale de titres, naast van Zuylen van Nyeveldt, van Wijn en van de Goes. Opvallend genoeg wordt hij als enige niet vermeld als ridder van de Orde van de Unie. Historieschrijvers richtten zich in die tijd op standaardwerken en het was destijds niet ongebruikelijk grote werken zoals dat van Wagenaar aan te vullen.

Met zijn diepgaand onderzoek over Amstel komt van Spaen op vermelding van de Orde van St. Jacob. Hij had het zich makkelijk kunnen maken door dit onderwerp te vermijden maar vreemd genoeg schrijft hij: “Hoeverre de St. Michielsorde, die graaf Floris in 1290 gezegd word opgericht te hebben en waarin Gijsbrecht van Amstel mede aangenomen werd, geloof verdient, laten wij op zijne plaats gesfteld”. Wagenaar heeft i zijn werk zeker aandacht aan Orde van St. Jacob gegeven en bleek beter op de hoogte dan zijn critici zoals hij naar Aubertus Miraeus verwijst. De fout blijft wel intrigeren, want de St. Michielsorde is in 1496 opgericht, was de onwetendheid of opzet? Het laatste lijkt het meest waarschijnlijk. Nooit is een correctie verschenen. In 1814 schrijft hij het eerste deel van de Historie van Gelderland. De archivaris Isaac Anne Vrijhof maakt vanaf 1835 de Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland tot 1543 met de aanvullende documentatie van Willem van Spaen en Pieter Bondam ( 1727-1800) af. Prof. Mr. P. Bondam historie- schrijver en samensteller van het charterboek van Gelderland en Zutphen heeft zich na uitgebreide studie van de documenten van Butkens in de annales van de familie van Lynden geen vervalsingen kunnen aantreffen. Dit feit is zowel door Lynden van Hemmen in zijn eerherstel van Butkens, als Samuel de Wind in zijn kritiek evenals door anderen benadrukt.[69] Bondam weet de verdachtmakingen door Scriverius te ontzenuwen en verklaart dat anderen dit blindelings gevolgd hebben.

 

5.4 Over het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Koninklijk Nederlands Instituut van Wetenschappen, ( KIW en KNIW), de Gids, de archieven en de bewerking hiervan.

Het in 1808 op gerichte Koninklijk instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, na 1815 het Koninklijk Nederlands Instituut van Wetenschappen geheten, neemt het initiatief om in de Tweede Klasse letterkunde met een uitgebreide agenda voor activiteiten te starten. Grote gangmakers zijn de heren Jacob van Lennep en Willem Bilderdijk. Alles komt echter maar traag op gang en de creatieve Bilderdijk verwijdert zich in 1816 na het gemis van inkomsten en de ergernis over de geringe activiteiten en de resultaten van onderzoek.[70]

In 1808 heeft Bilderdijk een treurspel geschreven Floris V, dat wordt opgedragen aan de Franse koning Lodewijk Napoleon. Miltenburg[71] verklaart in de inleiding van zijn promotie onderzoek van de Middeleeuwen en mediëvistiek in de negentiende eeuw heel duidelijk dat de romantische belangstelling voor de middeleeuwen bij de KIW niet tot hoogtepunten kwam. Deze was met de publicaties de Gids wel toegenomen maar aanvankelijk sterk onderdrukt door de redactie van Bakhuizen van den Brink. Uiteindelijk heeft het instituut weinig gepresteerd.[72] Het ontbreken van overheidssteun was een van de oorzaken, de slechte opkomst van de leden een andere. Op een gemakkelijk manier naar toegankelijke bronnen voor publicatie zoeken was niet in het belang van de vaderlandse geschiedschrijving. Laksheid kwam tot uiting inzake de onzorgvuldige afhandeling  van de door de Fransen geroofde archieven. Er werd weinig ondernomen om de archieven terug te vorderen. Ook is door het slechte beheer en diefstal veel verloren gegaan, dit betrof vooral archieven uit Utrecht [73]. In Noord-Holland, Zeeland, Brabant en Limburg werd lang door het ministerie verondersteld dat er geen belangrijke archieven waren. Pas eind veertiger jaren werden meer archivarissen voor deze provincies benoemd om de archieven te herstellen. Pieter Scheltema, archivaris van de hoofdstad was al jaren op eigen gelegenheid bezig in het oude archief in de IJzeren kapel van de Nicolaaskerk in Amsterdam. Het gebrek aan geld en scholing in het oude schrift maakten dat vele stukken niet meer deel konden uit maken van het totaal archief van Nederland. Pas in 1849 had Scheltema zijn werk af. Dankzij eerdere initiatieven van Bilderdijk en Tydeman werd op kleine schaal actief gezocht naar oude teksten, die in nieuw register werden gedocumenteerd. Het doorploeteren had wel resultaat hoewel over uitbrengen van de vier delen van de Rijmkroniek of Maerlants Spiegel Historiaal bijna vijftig jaar is gedaan. De vele handschriften en aantekeningen van eerdere onderzoekers vertraagden de uitgave van de laatste twee delen aanzienlijk. Talloze manuscripten waren in de handen van verzamelaars gekomen. De op de markt gebrachte grote verzameling middeleeuwse documenten, onmisbaar voor de ingestelde onderzoeksarchieven waren voor het instituut vaak onbetaalbaar en hierdoor konden slechts delen van de verzamelingen aangeschaft worden. Lacunes in de Nederlandse geschiedenis bleven hierdoor bestaan. Ondanks de verzoeken van Meerman, Scheltema en van Wijn was er onder de andere leden maar weinig animo voor de aanschaf van charters over ridderorden. Het instituut ging op zoek naar werken over de gewone burger in de middeleeuwen. Omdat er veel verhuld was zocht het instituut ook door middel van prijsvragen naar mogelijkheden de verborgen middeleeuwse geschiedenis en letterkunde op te sporen. Het voorstel van Hendrik van Wijn onderzoek te doen naar de ridderorde van St. Jacob werd afgewezen. Niet dat men bewijzen had dat de orde niet was opgericht, maar dat twijfels over de oprichting van de Orde bleven bestaan en omdat er geen verdere gegevens in het Rijksarchief te vinden waren. In het instituut leefde in de twintiger jaren wel de belangstelling voor andere oude Nederlandse ridderorden op zoals onderzoek van de Orde van de Tuin beschreven door Hangest baron d ’Yvoy van Mijdrecht [74] die een verhandeling hierover had opgemaakt in 1827. Onterecht noemt hij zijn vriend de archivaris van Wijn als degene die hem met grafelijke rekeningen overtuigd heeft dat de Orde van de Tuin niets anders is dan de Orde van St. Anthonij[75]. Door dit als een gevoelskwestie met de Orde van St. Jacob te verbinden, maakt d’Yvoy van Mijdrecht een dubbele onjuiste interpretatie van de historische feiten en zal dit stuk geen verdere waardering krijgen. De Orde van de Hollandse Tuin opgericht door graaf Willem IV heeft bestaan van 1387-1418.

Baron W.F. de Roëll beschrijft in 1830 de Orde van het Gulden Vlies en dit stuk wordt wel geaccepteerd voor een prijsvraag. Er is een wat gedurfde stelling in verweven.  Zijn bedoeling  aan te tonen dat koning Willem I in aanmerking voor het grootmeesterschap  moet komen geeft de nodige discussie. [76]  Deze stelling vervalt als België zich van de Zuidelijke Nederlanden onafhankelijk maakt. Een voorstel voor een prijsvraag om Graaf Floris V te beschrijven met de titel Graaf Floris V en Zijne regering uit echte bronnen vastgesteld, krijgt nadat het eerst door Tydeman en van Wijn is ingediend pas in 1833 de gouden ereprijs voor de uitgave van Dirk Groebe, bibliothecaris van het instituut. Ook hij acht het belangrijk de Orde van St. Jacob te bespreken na de verbeten pennestrijd in 1827 tussen van Lijnden en d’Yvoy van Mijdrecht. [77]  Groebe vraagt zich af waarom zowel van Lynden als de andere schrijvers in de Konst en letterbode geen gewag gemaakt hebben van het boek der (schaek) of steekspelen, dat bij de beschrijving van de ridderorde door Butkens en Boxhorn zo duidelijk is vermeld. Het bevreemdt hem sterk dat dit tournooi in geen ander werk is beschreven,  zoals het te vinden is  in het alom geprezen werk  Thurnierbuch , te Frankfurt am  Mayn,  uitgegeven in 1566 . Het boek van Groebe gaat uit van alle aanwezige bronnen. Groebe is zeker over de Orde van St. Jacob, opvallend genoeg acht hij het niet uitgesloten dat Gijsbrecht van Amstel in de Orde is opgenomen.[78] Een conclusie waarin hij niet alleen Wagenaar volgt maar ook de instelling van de Orde aanneemt. In het kamp van de tegenstanders heeft Hangest baron D’Yvoy van Mijdrecht zich tot het uiterste ingespannen om de historie te zuiveren van “zogenaamde orden”, maar desondanks blijven de verwijzingen naar de Orde van St. Jacob in de literatuur bestaan. Zo wordt in het kolossale werk van Bosscha , lid der Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen[79],  in 1870 wel hiernaar verwezen[80],  maar sterk onder de invloed van d’Yvoy van Mijdrecht blijft een ontkenning van de orde gehandhaafd. Bosscha vermeldt wel alle schrijvers die deelnamen aan de discussie. Zo ver is het dus gekomen, het slecht presterende Koninklijk Nederlands Instituut van Wetenschappen durfde geen stelling te nemen en  verder onderzoek blijft rusten. 

5.5 De Hoge Raad van Adel

Zo opvallend als de verhoudingen in het Koninklijk Nederlands Instituut der Wetenschappen waren, zo opvallend was de bezetting van de Hoge Raad van Adel, met baron Lijnden van Hemmen, Hangest baron d’Yvoy van Mijdrecht, baron Snouckaert van Schauburg, dr. H. van Wijn, baron van Westreenen van Thiellandt,  thesaurier, dhr. Chais secretaris, dhr. de Witte van Citters, dhr. Okelly de Galway en de wapenkoning met drie herauten.[81]   D’ Yvoy van Mijdrecht, Snouckaert van Schauburg en van Wijn, zijn al lid vanaf 1814 lid. Van Wijn, archivaris van het Rijk werd benoemd tot honorair lid. Lijnden van Hemmen wordt in 1818 de derde president. Naast zijn brede geschiedkundige kennis was hij op het gebied van waterstaat zeer onderlegd. Het door hem in 1821 opgesteld plan in de verhandeling tot drooglegging der Haarlemmermeer ondervond aanvankelijk veel weerstand, maar kon uiteindelijk toch met succes gerealiseerd worden. Te verkeren in een gezelschap van ver uiteenlopende meningen moet voor hem een grote uitdaging geweest zijn en in het debat zullen zeker vele uren nodig zijn geweest om tot een vorm van consensus te komen. Tot zijn 84ste jaar was hij voorzitter en tot zijn overlijden in 1845 uitstekend gezond van lichaam en geest.[82] Van Lijden weet zich in zijn oordeel over de St. Jacobs Broederschap gesteund door van Wijn, die evenals Bilderdijk, Wagenaar als betrouwbare bron zien.[83] In 1831 overlijden H. van Wijn, M. Hangest D ‘Yoy van Mijdrecht en W. Bilderdijk.

 Samuel de Wind geeft in een publicatie in 1835 een korte beschouwing over Butkens, maar is uiteindelijk mild in zijn oordeel.[84] De door Prof. Bondam beoordeelde charters, aangehaald in de Konst en Letterbode bleken overtuigend.[85]   Ook hij doet bewust geen uitspraak over wie het aan het rechte eind heeft in de gevoerde pennenstrijd met van Lynden. Hij betwist begrijpelijk het merkwaardige charter van Karel de Grote en prijst Butkens met zijn werk over de geschiedenis van Brabant.[86] 

Dat de geschiedenis over de Orde van St. Jacob op vele manieren geïnterpreteerd kan worden wordt blijkt uit publicaties in 1841 en 1842. Zo wordt in een geschiedkundig drama, aangaande St. Mauritiusdag  Kuser van IJsselstein door ridder van Arkel voor verheffing tot ridder voorgedragen en door Graaf Albrecht tot St. Jacobsridder geslagen. In hetzelfde werk wordt Teylingen als ridder des St. Jacobs aangeduid zo ook in een ander werk. [87]  Een ander voorbeeld zijn de eerste uitgaven van l’Abbé Giustiniani en Bonanni, hierin worden abusievelijk alle graven van Holland als grootmeester van de Orde van st. Jacob aangegeven. Dit is in latere uitgaven aangepast.[88]  Le Paige maakt het wel helemaal te bont in werk over L ’Ordre Héréditaire du cigne, dit L’Ordre Souverain de Cléves geschreven in 1780. Hierin hevelt hij de gegevens van de in 1290  opgerichte Orde van St. Jacob over naar de Orde van de Zwaan en maakt Diederick van Kleef door zijn huwelijk met Margareta van Habsburg, grootmeester.[89]  

Het instituut van wetenschappen heeft tot de abrupte dood in 1851 ruime aandacht geschonken aan de middeleeuwse geschiedenis waarbij zij voortbouwde op oorkonden van Beka, de Clerc en de verwerking door Wagenaar, ondanks kritieken vanuit leden van het instituut en uitingen in de gids. Er ontstond een toenemend streven om neer over de bevolking, het sociale leven in de middeleeuwen te schrijven. Helaas is het doel niet bereikt, in de stukken kreeg de staatkunde te veel nadruk. Pas na 1850 ontstaat een wending aangegeven door R. Dozy en W. Jonckbloet, voortaan zal het dagelijks leven van het gewone volk meer beschreven worden.[90]                                                                                                                                                                               

In 1843 levert Beeloo een belangrijke geschiedkundige bijdrage door een werk voor te bereiden ter ondersteuning van de te op 8 februari 1845 te houden maskerade in Leiden met als thema; Den optogt van graaf Floris V den. Zeer nauwgezet worden het hof te ’s Gravenhage en de plechtigheden met de ridders beschreven.[91] Het boekje van Adriaan Beeloo ontvangt een uitstekende kritiek·, ondanks dat het werk ten dele is opgebouwd met de uitgebrachte informatie van Butkens over de ridderorde. Er wordt volop gebruik gemaakt van de aanname dat er niet meer is dan de Preuves in de Annales généalogiques de la Maison de Lynden om als bron van de Orde van St. Jacob uit te werken. In die tijd nemen meerdere historici in hun werk de Orde van St. Jacob op. In 1843 heeft Bischoff de Orde van St. Jacob beschreven in Oudere en nieuwere thans bestaande ridderorden [92] en Jonckbloet beschrijft Het ridderfeest van St. Jacob in de Tijd[93], afkomstig uit de onuitgegeven roman “Der keerlen god”. Van Lennep en Hofdijk [94]vermelden de Orde van St. Jacob in Merkwaardige kastelen en Weleveld maakt Genealogische aantekeningen van de Hollandse edelen die tot ridder van de Orde van St. Jacob zijn geslagen.

De Orde van St. Jacob krijgt de volle aandacht in een optocht der studenten in de in 1845 gehouden Maskerade der H.H. Studenten der Hogeschool te Leiden. Dit blijft een van de best gedocumenteerde herdenkingen van de activiteiten van Floris V.[95]  De waardering voor Beeloo in Boekzaal der geleerde wereld in tijdschrift voor de protestantse kerken is opmerkelijk “ De schildering van het toernooi, de beschrijving van de Ridderzaal en van het Hof te ’s Gravenhage getuige de grote kennis van de samenstellers maken dit boekje tot eene uitlokkende proeve van het grote werk dat later volgen zal en het welk zeker den roem zal vestigen “.[96]  De kritiek verstomt. Met het verschijnen van publicaties en boekwerken over ridderorden wordt beschrijving van de Orde van St. Jacob alleen al door Beeloo[97] voldoende ondersteund.                                                                                                                                                                                   

In de eerdere publicatie van een berijmd verhaal over ’s Gravenhage in de Gids van 1843 trekt de redactie flink van leer tegen de tweede klasse van het Instituut van Wetenschappen en verwijt haar apathie en niets doen voor het Hollandse huis en de Ridderzaal.[98]   Beeloo had, na zijn presentatie voor het instituut in Amsterdam vier jaar gewacht alvorens het te publiceren. Al deze geschriften blijven natuurlijk niet ongelezen en van Weleveld geeft in1845 als ambtenaar bij de Hoge Raad van Adel Beknopte genealogische aantekeningen[99] uit. Het is aanvullende informatie over de ridders ter voorbereiding van de optocht naast het boek van de Leidse Commissie van de Maskerade. Alle eerste ridders uit het extract van Butkens en later overgenomen door Thomas de Rouck worden genealogisch uitvoerig beschreven en hiermee lijkt elk misverstand opgehelderd. De publicaties dringen ook in België door. In Brussel verschijnt jaarlijks het Compte Rendu des seances de la Commission Royale d’histoire ou recueil de ses bulletins in 1845 met de mededeling:“ On n’ ignore pas que l’existence de l’ordre de Saint jacques en hollande , a été révoquée en doute par plus d’un critique “. In een voorlezing in de Maatschappij van Nederlandse letterkunde op 7 februari 1851 neemt mr. van Assen de Orde gegevens over de Orde van St. Jacob mee in zijn verhaal over eerbeloningen in de Republiek der Verenigde Nederlanden. In 1852 vermeldt Abraham van der Aa in zijn biografisch woordenboek voorzichtig genoeg alleen Gijsbrecht van Amstel als ridder van St. Jacob.[100] Dr. P. Scheltema, archivaris van de hoofdstad en van Noord Holland komt er duidelijk voor uit in het vierde deel; De gedenkwaardigheden van Amsterdam, dat Floris V in de Grote Zaal te ’s Gravenhage de Orde van St. Jacob heeft ingesteld.[101]

In het archief van oude charters gaat de heer van Visvliet wapens in Zeeland na en ziet vijf Jacobschelpen op een wapenschild. Hij raakt geboeid door de betekenis door een milites van Subburg. Hij prikkelt de lezer wel met zijn beschouwing dat mocht dit schild tot de Orde van St. Jacob behoren dan zou de Orde mogelijk ouder zijn dan eerder is aangenomen. Van enig aanvullend bewijs is echter geen sprake. [102]

Zo blijft de interesse voor de Oudhollandse ridderorde bestaan en zorgen de romantici in de zestiger jaren voor meer betrokkenheid met ridderschap en orden. J. van Lennep (afbeelding onder) en W.J. Hofdijk brengen merkwaardige kastelen uit en melden in de voetnoot over de instelling der Ridderorde van St. Jacob. Zij bekennen als auteurs dat zij tot de gelovigen horen van het veel betwijfelde, veel bestreden, veel verdedigde veel besproken feit. Tevens ondersteunen zij de conclusies van Beeloo, eerder in de vaderlandse letteroefeningen van 1845 genoemd, dat de motieven om de orde te stichten meervoudig waren. Het was een hulde aan zijn overleden vader Rooms-koning Willem II, ter ere van zijn grafelijk regeren en ter ere van zijn gemalin Beatrijs van Vlaanderen die haar intrede doet in Holland.[103] Hofdijk geeft in ons voorgeslacht een beschrijving van de eerste twaalf ridders behorende tot de Orde van St. Jacob en opvallend genoeg beschrijft hij de betwiste Jacob van Wassenaar, die moeilijk in de genealogieën is terug te vinden maar door Lijnden van Hemmen en Kluit, met drie Wassenaars op een zegel van 1306 is afgebeeld. [104]

A. Beeloo zal ter completering van zijn uitvoerig werk over de Orde van St. Jacob nog een publicatie geven over een beschrijving van een steekspel en meent hiermee critici genoeg te doen.[105]  

 J. ter Gouw, Lid van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, blijkt een groot kenner te zijn van wapens gezien zijn publicaties die hij vanaf 1860 levert. In een lezing voor het genootschap te Amsterdam over de instelling der ridderorde van St. Jacob geeft hij uitvoerig weer dat het niet kunnen vinden van een tournooi boek geen reden tot afwijzing van de Orde is, maar een acceptatie dat er veel verloren is gegaan en dat zelfs de archivaris van  Wijn dit dien ten gevolge   “ deeze  Riddermaking niet” wil ontkennen. Uitvoerig belicht hij de documentatie van toernooiboeken en overlevering van ordetekenen en geschiedkundige feiten. Opvallend is dat hij met stelligheid beweert in zijn rede: “ ’t lijdt geen twijfel, dat de St. Jacobs-orde den dood haren stichter niet zal hebben overleefd.” Niet slechts omdat met hem tevens een stamhuis ten Grave daalde, maar vooral omdat twee der St. Jacobs-ridders, Gijsbrecht van Amstel en Jan van Heusden tot de samenzweerders behoord      hebben.”[106]  Kudrop van Ruwiell komt in 1964 tot dezelfde conclusie. De overdracht van de Orde van St. Jacob onder tijdgenoten valt moeilijk te bewijzen. Het gedachtengoed is in ieder geval later wel voortgezet en onder een aangepaste naam in stand gehouden.

Conclusie

De stichting van de Orde van St. Jacob blijft onduidelijk als men Butkens Miraeus en Boxhorn niet wil geloven. Het ontbreken van authentieke oprichtingstukken is voor een aantal historici een reden tot afwijzing van de bestaande bronnen over de Orde van St. Jacob. Er zijn ook historici die vooral in de negentiende eeuw de oprichting erkenden maar de conclusie trokken dat de Orde na de oprichting ophield te bestaan. Helaas hebben beide standpunten aanleiding geven tot ergernis over en weer en is een academisch dispuut soms in ruzie geëindigd. Bij nader onderzoek blijkt dat er bij tegenstanders geen objectieve motieven een rol gespeeld hebben. De wederzijdse beïnvloeding staat vast. Het besef dat er slechts beperkte documentatie is overgeleverd en dat aanvullende documentatie verloren is gegaan door schade wordt vaak genoeg vergeten. Dat de felste tegenstander en beschuldiger van Butkens, Hangest D’Yvoy van Mijdrecht zelf zijn adelspapieren vervalst heeft geeft dan ook een ander licht op de zaak. Voor de Souvereine Orde van St. Jacob in Holland staan een aantal zaken vast, de Orde van St. Jacob is opgericht door Floris V, Butkens en Albertus Miraeus hebben het uittreksel uit het boek der Ridderschap verwerkt, Boxhorn heeft zowel de gegevens van Reigersbergh als van Butkens in zijn Theatrum Hollandiae opgenomen. Nadien is er tevergeefs gezocht naar de Charters van het boek der Ridderschap en het toernooiboek. De archivaris van Holland dr. H.  van Wijn heeft altijd gewezen op het feit dat er veel van het archief der Nederlanden verloren is gegaan. Een kleine groep heeft jaren geleden getracht het erfgoed te bewaren als Orde van St. Jacob, helaas hebben vernieling en geweld grote delen van de ledenregistratie en een aantal draagtekens geminimaliseerd. Met de huidige gegevens in archief blijft het mogelijk het gedachtegoed van de Orde van St. Jacob in een stichting Souvereine Orde van St. Jacob in Holland voort te zetten en te bewijzen dat de Orde van St. Jacob door de eerste grootmeester Floris V in 1290 ( 1279) is opgericht.

 

6. Literatuur

Van der Aa, A.J., Biografisch woordenboek deel  1 (Amsterdam 1852).                                                                

 Allart, J,  Gedenkschriften van de koninklijke unie door de jaren 1807, 1808 en 1809                 (Amsterdam 1810).                                                                                                                                                                     

Andriessen, P.J., De schildknaap van Gijsbrecht van Aemstel, (Amsterdam 1862).                                      

d'Artillac Brill, J.,  Beknopte geschiedenis der Nederlandse Ridderorden (Den Haag 1951).                          

Balen, Jans Zoon, Matthys, Beschryving der stad Dordrecht enz, (Dordrecht 1657).                                     

Bander van Duren, Orders of Knighthood and Merit ( Gerrards Cross 1995).                                                

Beelaarts van Blokland, M.A., De hoge raad van adel. Geschiedenis en werkzaamheden              (’s-Gravenhage1966).                                                                                                                                               

Beeloo, A., De instelling van de Orde van St. Jacob door Graaf Floris V, in den jare 1279 (Amsterdam 1845).                                                                                                                 

Bergh, A. van den, Vorsten en Bewindvoeders van al de oude en nieuwe staten der wereld, mitsgaders opgave van al de voormalige en nog bestaande Geestelijke en Wereldlijke Ridderorden(Haarlem 1871).                                                                                                                                                                   

Bührmann, Bührmann ‘s  Geschiedenis van ons vaderland, van de vroegste tijden tot op heden, deel II  (Amsterdam 1865).                                                                                                                                             

Butkens, Chr, Preuves Charter et Tittres; Annales Généalogique de la Maison de Lynden (Antwerpen 1626).                                                                                                                                                                     

Biedenfeld, F. freiherrn von, Ritterorden (Weimar 1841).                                                                                                                                                                                        

Bilderdijk, W., Geschiedenis des Vaderlands uitgegeven door Prof. H.W. Tydeman, J. de Ruijter (Amsterdam 1851).                                                                                                                                                   

Bischoff, J. en G.L. de Rochemont, Geschiedkundige beschrijving der oudere en nieuwere thans bestaande Ridderorden zowel in als buiten Europa (Amsterdam 1843).                                                           

Boxhorn, Marcus Zuerius Toneel ofte Beschruyvinge der steden van Hollandt( Amsterdam 1632).Boxhorn, Marcus Zuerius, Cronijck van Zeelandt eertijds beschreven door d'heer Johan Rygersbergen ( Leiden 1644).                                                                                                                                                             

Clark, K., Concise History of Knighthood (London 1784).                                                                                           

Cordfuncke. E.H.P., ea., Wi Floriens (Utrecht 1966). Commissie tot regeling der Maskerade, Ophelderingen betreffende De Maskerade voorstellende Den optogt van Floris V (Leiden 1845).                                                                                                                   Dambreville, E. , Abrégé chronologique de L'histoire des Ordres de Chevalerie (Parijs 1807).       

Dujardin, B., et Sellius, G. Histoire générale des Provincies-Unies, ( Parijs 1757)                                  

Gouthoeven, van, W.,  D’oude Chronijcke ende Historien (met west Friesland) van Zeeland ende van utrecht (Dordrecht 1620).                                                                                                                                        

 Guordon de Genouillac, H., Nouveau Dictionaire des ordres De Chevalerie (Parijs 1891).                                 

Ter Gouw, J. Studiën over Wapen en Zegelkunde, Brinkman  (Amsterdam 1865).                                         

Groebe, D ,Verhandeling ter beantwoording van de vraag: Graaf Floris V uit echte bronnen voorgesteld ( Den Haag 1833).                                                                                                                                      

Hangest D'Yvoy van Mydrecht, M. L.,Voordragt ... in den Algemeenen Kunst- en Letterbode voor 1826, no. 25 en 38 nopens hetgeen in dat weekblad, in de Weegschaal no. 9 voor 1826, en in de onlangs uitgegeven Twee brieven over de ridderorde van St. Jacobs Broederschap, tegen gemelden schrijver ... geschreven is geworden door F. G. baron van Lynden van Hemmen. ' (Den Haag 1828).

Hayez, M., Compte Rendu des seances de la commission de ses bulletins Tome XI partie I (Bruxelles 1846).                                                                                                                                                                      

Hélyot,  P. et  M. Bullot,  Histoire des ordres monastiques, religieux et militaires  deel 8 (Parijs 1719).                     

Hofdijk, W.J., Ons Voorgeslacht, IVe deel, (Haarlem 1862).                                                                          

Hugenholz, F.W.N., Floris V. ( Bussum 1966).                                                                                                              

Janse A, Ridderschap ( Bussum 2009).                                                                                                                                                   

Jonckbloet, W.J.A. Het Ridderfeest van St. Jacob, de Tijd ( Den Haag 1845).                                                     

Kudrop van Ruwiell, J.R. De Institutie van de orde van St. Jacob in Holland door Graaf Floris V (Amsterdam 1964).                                                                                                                                                    

Laseur, W.A., Het Museum Meermanno- Westreenianum, 1840-1960 ( Den Haag 1998)                         

 Leeuwen van, S., Illustrata ofte Oud Batavien vervattende de verhandelingen van den adel en Regeringe van Hollandt, ten deele uyt W. van Gouthoven, en andere Schryvers, maar wel voornamelijk uyt een menigte van oude Schriften en Authentijque Stukken en Bewijfen (Den Haag 1685).                                                                                                                                                                           

Lennep van, J. en W.J. Hofdijk,  Merkwaardige Kastelen in Nederland (Amsterdam 1845).                         

Lennep van, J en J. ter Gouw, Nederlands geschiedenis en volksleven ( Leiden 1880). Lennep van, J., W. Moll en J. ter Gouw, Nederlands geschiedenis en volksleven, opgedragen aan zijne majesteit Willem III, (Leiden 1889).                                                                                                                                        

Lijnden van Hemmen, F.G. baron van, Twee brieven over de Ridderorde van St. Jacobs Broederschap ingesteld door Floris V ('s-Gravenhage en Amsterdam 1827).                                                                             

Lijnden van Hemmen, baron F.G., Kort antwoord op de voordracht van den heer M. I. Baron D'Yvoy van Mijdrecht ('s-Gravenhage en Amsterdam 1828).                                                                                     

Meylink, A.A.J. en G.H.M. Delprat, Over een Charter van Graaf Floris V ( Den Haag 1860).                     

Maigne, W., Dictionnaire encyclopédique des Ordres de Chevalerie ( Parijs 1861).                                      

Miraei, A., Donationes Belgicae (Antwerpen 1629). Miraei, A., Opera Diplomatica et Historica in Quibus (Antwerpen 1723).                                                                                                                                  

Mostard, J.J., Den Haag Oranje Residentie, (den Haag 1980). Petit Le, I. F., La Grande Chroniqve ancienne et moderne de Hollande, Zelande, VVeft - Frife, Vtrecht, Frife, Overyffel & Groeningen, jufques à la fin de lÆ An 1600 (Dordrecht 1601).                                                                                               

Paige Le, A. F., L ’Ordre Héréditaire du cigne, dit L’Ordre Souverain de Cléves (Parijs 1780).                               

Perrot, A.M. Ritterorden (Leipzig 1821). Philipon de la Madelaine, V., Histoire des ordres monastiques religieux et militaire et des congrégations séculierëres des deux sexes par le R.P. Hélyot 1e uitgave 1719 (Paris 1842).                                                                                                                                                      

Plomp, N., Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie deel 53 en 57, (den Haag 1999 en 2003). Rammelsberg, J.W. , Beschreibung Aller noch heutige Tages florirenden als bereits Verlochenen Geist und Weltlichen Ritter-Orden in Europa nebtst denen Bildnissen derer Ordens- Zeichen (Franfurt an den Oder 1743).                                                                                                                                                                                                                       Riemer, J., Beschryving van ’s Gravenhage, behelzende deszelfsoorsprong, benaming, gelegentheid, uitbreidingen, onheilen en luister ( Delft 1730).                                                                                                          

Rouck de, Thomas, De Nederlandtsche Herault of Adelik Toneel, 1e uitgave Jan Janssen te Amsterdam 1645, 2e uitgave Jacob Volkerrsz te Amsterdam 1672, 3e uitgave Hendrik en Dirk Boom (Amsterdam 1673).                                                                                                         

 Scriverius, P., Het Oude Goudsche Kronycxken of Historiën van Hollandt, Zeelandt, Vrieslandt en Uytreght (Amsterdam 1663).                                                                                                                       Schoonebeek, A., Historie van alle Ridderlijke en Krijgsorders (Amsterdam 1697).                                     

Snouckaert van Schauburg, archiefstuk collectie waarin van Otto van Arkel en Jan van Arkel ridders in St. Jacob genoemd worden HvA, archief Souvereine Orde van St. Jacob in Holland (Den Haag z.j.)               

Verbrugg, M., Teylingen op het laatst der dertiende eeuw. De Vriend des vaderlands 16e deel (Amsterdam 1842).                                                                                                                                            

Westreenen, van, W.H.J., Essai Historique sur Les Anciens Ordres de Chevalerie  (Den Haag 1807).                                                                                                                                                         

Scheltema, P., Gedenkwaardigheden van Amsterdam, (Amsterdam 1861).                                                         

Van Spaen, W.A., Historie der Heren van Amstel van IJsselstein en van Mijnden ( Den Haag 1807).                    

Van Spaen, W.A.,Inleiding tot de historie van Gelderland, deel III (Den Haag 1804).                                   

Tideman, J. De zogenaamde ridderzaal te 's-Gravenhage en de problematieke Ridderorde van St. Jacob, overdruk uit de Hofstad 5 no. 23 (Den Haag 1899).                                                                                          

De Wind, S. Bibliotheek der Nederlandsche geschiedschrijvers, vierde stuk ( 1626-1648). (Middelburg 1833).                                                                                                                                                                         

Weleveld, L., Beknopte genealogische aantekeningen betreffende de Hollandse edelen welke bij de instelling der ridderorde van St. Jacobs Broederschap door Floris V tot ridder zijn geslagen ( Leiden 1845).                                                                                                                                                                           

Zeegers, A. Th. Nederlandsche Chrestomathie Bloemlezing uit de werken van enige voorname hedendaagse Nederlandse Schrijvers en dichters 2e druk (Amsterdam 1851).                                                    

Zelm van Eldik J.A. Moed en Deugd Ridderorden in Nederland (Zutphen 2003).

 

Tijdschriften

Boekzaal van de geleerde wereld en tijdschrift voor de Protestantse kerken in het Koninkrijk der Nederlanden, De Erven onder de Linden en Zoon (Amsterdam 1845).                                                                 

De Mentor, weekblad voor nederlands zonen en dochters uit den Beschaafden Stand, oktober no.45, A.Kloots en comp. ( 's Gravenhage  1827).                                                                                                                        

De Navorscher,  4e jaargang Frederik Muller (Amsterdam 1854).                                                                            

De Navorscher,  36e jaargang blz.244 voetnoot, Ridder St. Jacob, ( Amsterdam 1890).                                                                

Archief Vroegere en latere mededelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland IV, J.C.& W Altdorfer (Middelburg 1859)

 

 

 

 

 

 

 



[1] Afkorting; Souvereine Orde van St. Jacob in Holland

[2] Eickels, Wi Florens, 47-49, na de dood van Willem II herstelde de afstandelijk geworden verhouding tot Duitse Rijk niet. Kansen op een koningschap waren gering.

[3] Weleveld, Beknopte genealogische aantekeningen betrekkelijk de Hollandse edelen welke bij de instelling der ridderorde van St. Jacobsbroederschap door graaf Floris V tot ridder zijn geslagen 1845.

[4] Historisch archief Westland.

[5] Pseudo-Turpijn, kroniekschrijver twaalfde eeuw Brabant.

[6] De Roever en Dozy, Het leven van onze voorouders, deel 2, 175. Tot ons gekomen berichten betwijfelen de instelling van een ridderorde van St. Jacob in 1276 ter ere van het huwelijk met Beatrijs van Vlaanderen.

[7] Hugenholz, Floris V, 45. Hij bestrijdt 1279.

[8] Scriverius, Beschrijvingen der graven van Holland, 514

[9] Histoire générale des Provices-Unies/Dujardim. Après avoir effayé inutilement de regagner l’affèction des Seigneurs, il fe perfuada que l’honneur étant le foible des grandes ames,… 210-211.

[10] Daniel Willinks Amstellandse Arkadia, 1737, 78

[11] De Bruijn, de dertiende eeuw en andere ridderorden.

[12] Baron d’ Yvoy van Mijdrecht meent ook hier te moeten bewijzen dat deze orde niet bestaan heeft. Verhandeling 1824.

[13] Hendrik van Heesel (overled. 1470) Heraut van Gelre wapens en handschriften.

[14] Van Spaen Inleiding tot de historie van Gelderland, deel III, 441, ( 1804)

[15] Ook van de later buitgemaakte Spaanse vaandels zijn vergaan. Schilderij Dirck van Delen Ridderzaal (1651).

[16] Zeeuws genootschap der wetenschappen. Archief vroegere en latere mededelingen, 25- 26. ( Middelburg 1859). Dossier van Brienen namen uit de bibliotheek van het Carmalietenklooster, de St. Jacobs Ridderen.

 

[17] Petit, chroniqve ancienne et moderne de Hollande Zeelande VVeft Frife, Vtrecht, Frife, Overyffel & Groeningen, 237

[18] Gouthoven, 341,347

[19] Smit, regionaal archief Dordrecht

[20] Butkens, Annales de la maison de Lynden, 88

[21] Jan van Mierlo, Een reeks valse kronieken van Butkens.

[22] Plomp Jaarboek genealogie 1999, een graftombe in het klooster te Rhenen, glas in de kerk te Heukelum, grafmonumenten in de kapel van het klooster Mariënweerd bij Beesd bleken niet te bestaan. 

[23] Samuel de wind, Bibliotheek der Nederlandsche geschiedschrijvers, 383,385.

[24] Aubertus de Miraeus Donationes Belgicae, 257,258.

[25] Jacob de Riemer, Beschrijving van ’s Gravenhage, 114, 116

[26] Van Lynden van Hemmen, Alemene konst en letterbode no.30, 1826, 36.

[27] Van Rhijn, Oudheden en gestichten van Delft, 421. Hij kan evenals de Riemer geen valsheden ontdekken.

[28] Boxhorn, Theatrum, 42-50 en Cronijck van Zeelandt

[29] Boxhorn, Theatrum, 75.

[30] Van Lynden, 14, Brieven over de St. Jacobsbroederschap. Groebe, 94, Graaf Floris de V uit echte bronnen.

[31] Kudrop van Ruwiell, 6.

[32] Langereis, Geschiedenis als ambacht, 187.

[33] Bondam, kunt en letterbode 1826, 119, dit betreft charters uit 1376 en 1377.

[34] Martin de Bruijn, IJsselstein de vesting,27.

[35] Ronald de Graaf, Oorlog om Holland, 83.

[36] De Geer, Geschiedenis van IJsselstein, 107.

[37] Anteun Janse, Ridderslag en ridderlijkheid in de late middeleeuwen.

[38] Ook weergegeven in de Divisie kroniek 1517, A. Janse Ridderslag, vermeldt de gebeurtenis in 1295,4

[39] Melis Stoke Rijmkroniek, J. Burgers, 12645, vs. 945.

[40] Janse, Ridderslag en Ridderlijkheid, 6.

[41] Mol, J.A. ea. The Military Orders and the Reformation,186-205.

[42] Kudrop van Ruwiell, 9 (de orde) zij overleefde haar stichter niet, 12, Jacobus orden in Italië en Spanje

[43] Kudrop van Ruwiell, 9 verwijst naar de Bollandisten Acta Sactorum te Antwerpen voor bronnenmateriaal.

[44] Lijnden van Hemmen, van, F.G. 1827. Twee brieven over de Ridderorde van St. Jacobs Broederschap ingesteld door Floris V. Van Cleef 's-Gravenhage en Amsterdam.

 

[45] Rammelsberg, J.W.79, 80, Das ordenszeichens ist ein achtspitizges kreuz mit dem bildnis des heiligen Jacobi. Worann unten eine Muschel hänget, jedoch ist derselbe eben in einem besondern unsehen.

[46] Hélyot e.a.

[47] Lijnden van Hemmen, van, F.G. Kort antwoord op de voordracht van den heer M. I. Baron D'Yvoy van Mijdrecht                  ('s-Gravenhage en Amsterdam 1823).

 Twee brieven over de Ridderorde van St. Jacobs Broederschap ingesteld door Floris V. (s-Gravenhage en Amsterdam 1827).

[48] Andriessen, De schildknaap van Gijsbrecht van Amstel, 76,85. Bührmann’s geschiedenis van ons vaderland,311.

[49] Muiderslot, katern 3, 39, Ridders van Holland.

[50] Oostenrijk krijgt Lombardije, Venetië. De Illyrische provincies vormen het koningrijk Dalmatië. Het huis van Bourbon wordt in Frankrijk gerestaureerd, ook in Spanje en Portugal worden koningen aangesteld.

[51]  Ingesteld bij Souverein Besluit van 24 juni 1814.

[52] Koninklijk besluit Hoge raad van Adel 24 juni 1814, 9, 173-174.

[53] Laseur, Museum Meermanum, 23 mr. Hendrik Wijn in 1802 benoemd tot archivaris van de Bataafse Republiek.

[54] Essia historique sure les anciens ordres de chevalerie, 8-11.

[55] Wagenaar, Vaderlandse Historie deel III, 42.

[56] Gedenkschriften van de Koninklijke orde van de Unie voor de jaren 1807, 1808 en 1809, 25

[57] Vaderlandse letteroefeningen.1846, necrologie p.72.

[58] Brieven A.R. Falck (1795-1843).  Zelm van Eldik 164, hfdst 5 voetnoot 2.

[59]  D’Artillac Brill, 82-84.

[60] Cees Bruin, de kroon op het werk.

[61] Meijer Butkens een verguisd geleerde, 18, bron niet vermeld

[62] Zelm van Eldik, Moed en Deugd, voetnoot 5 hoofdstuk. 5.

[63] Museum Meermanno Westreenen, 23.

[64] Nederlands Adelsboek, 1949, 6, 191-192                                                                           

[65] Archief baron van Spaen la Lecq, Hoge raad van Adel

[66] Bijleveld, hoofdredacteur adelsboek 1949, 6. Snoukaert van Schauburg was de enige deskundige. In de uitgave van 1953 wordt nergens meer over gesproken.

[67] Archief Hoge Raad van Adel, collectie familie Snouckaert van Schouburg no. 147.

[68] Spaen, W.A. Rijksvrijheer van, Historie der Heeren van Amstel, van Ysselstein en van Mynden enz., Immerzeel den Haag 1807, 54.  Hij vermeldt de zgn. Michiels Ridderdorde waarin Gijsbrecht van Amstel opgenomen was.                                                                                                                                                                                                                 

[69 ]Vaderlandse letteroefeningen …eerste stuk voor boekbeschouwing (1845),275,                  Kudrop van Ruwiell, 5.

[70]Bilderdijk: “ik doe niets meer voor eenig Genootschap”.

[71] A.P. J. , Miltenburg, Naar de gesteldheid dier tyden 9-15.

[72]Miltenburg, 28.

[73] Miltenburg, 39.

[74] Verhandeling ten betoog dat er ten tijde van Willem IV, graaf van Holland geene ridderorde van den Tuin is ingesteld, 1827. 4o. In Verh. der II Kl. van 't Kon. Ned. Inst. Dl. IV.

[75] Voordragt van Max L. baron d’Yvoy van Mijdrecht, 9.

[76] De Roëll, verwijst wegens de twijfel over de Orde van St. Jacob naar de pennenstrijd in 1827.

[77] Beiden bevochten elkaar gedurende ruim een jaar met details zonder uitkomst. In 1824 vermeldt d’ Yvoy van Mijdrecht in de slotregel dat de Orde van St. Jacob niet op waarheid berust.

[78] Groebe blz. 94.

[79] Opgericht in 1851.

[80] Bosscha, 35.

[81] Jaarboekje van Zuidholland 1829 p. 12

[82] Levensbericht van F.G. baron van Lijnden van Hemmen, jaarboek Maatschappij der Nederlandse letterkunde 1845.

[83] Arend 1941 Algemene Geschiedenis des Vaderlands blz. 352 noot 4.

[84] Bibliotheek der Nederlandse geschiedschrijvers deel vier, 381-388

[85] Brief Prof. Bondam aan den Baron van Lynden van Hemmen, Konst en Letterbode 1826, no 35.

[86] Trophées tant saorés que prophanes de la Duché de Brabant 1641, publikatie in Bibliotheek der Nederlandse geschiedschrijver 1835 eerste deel.

[87] A. Ruysch, Albrecht van Beijeren of de St. Mauritiusdag (1389) drama, 65, 98. . Marinus Verbrugge, Teylingen op het laatst der dertiende eeuw.De vriend des vaderlands een tijdschrift, zestiende deel.143.

[88] Histoire des Militaires ou des chevaliers 1721, l’Abbé Giustiniani ea.

[89] L’Ordre du Cygne (cigne), Orde van de Zwaan is opgericht in 1440 en heropgericht in 1843.

[90] Miltenburg, Leven en streven, 165.

[91] A. Beeloo, De instelling van de Orde van St. Jacob, door Graaf Floris V van Holland, in den jare 1279. Kampen 1845.

[92] Bischoff, J, de Rochemont, G.L., Geschiedkundige beschrijving der oudere en nieuwere thans bestaande Ridderorden zowel in als buiten Europa, Amsterdam, 1843, 332-333.

[93] Jonckbloet, W.J.A. Het Ridderfeest van St. Jacob, de Tijd 1845.

[94] Lennep, Mr. J. van, en Hofdijk, W.J., Merkwaardige Kastelen in Nederland,1845, dl.1, 57, 116, dl.2, 7-10.

[95] Van Dissel 1845 Historische bijdrage betrekkelijkheid het ontwerp der Maskerade door H.H.Studenten der Leidse Hoogeschool voorstellende den aftocht van Floris V met de nieuw geslagen St. Jacobs-ridders na het hem gegeven tournooi.8 februari 1845. De commissie tot begeleiding der maskerade. Het nieuws van den dag kleine courant, de Leidse feesten 24-06-1885.

[96]  Welk groot werk hiermee bedoeld werd is niet duidelijk, wel volgen nog diverse romantische beschrijvingen.

[97] A. Beeloo De Instelling van de Orde van St. Jacob 1845, blz. 56 Boxhorn, Bondam en Baron Lynden van Hemmen verklaarden zich met tal van bewijzen voor de juistheid van het verhaal. Blz. 56. Scriverius is later van zijn verdenking tegen Butkens teruggekomen. Reigersberg, Miraeus, Boxhorn der Rouck en anderen. Hebben het bestaan van deze ridderorde erkend. De geleerde van Spaen heeft slechts getwijfeld; daarentegen hebben Tewater, Meerman, Broërius, van Nideck, Bondam en anderen de zaak of aangenomen of op goede gronden verdedigd. 

[98] De Gids 1843 eerste deel blz. 221-240 felle kritiek tegen KIW afdeling Amsterdam, aangaande onzalige liefhebberijen, spreekbeurten verhandelingen en etentjes.

[99] Weleveld, L., Beknopte genealogische aantekeningen betreffende de Hollandse edelen welke bij de instelling der ridderorde van St. Jacobs Broederschap door Floris V tot ridder zijn geslagen, H. van den Heuvel Leiden 1845

[100] A.J.van der Aa, 1852 Biografisch woordenboek deel 1.

[101] Scheltema, 1861 Amstel’s oudheid.

[102]  Milites vroegere benaming voor ridder. Van Visvliet 1859 Over de belangrijkheid van oude charters, archief vroegere en latere mededelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland deel IV. S. Simonis Zeeuwse Oudheden namen in 1258.

[103] Van Lennep en Hofdijk 1861 merkwaardige kastelen, 7 en 8. Vaderlandse letteroefeningen jaargang 1845

[104] Hofdijk, 1862, Ons voorgeslacht, ridderorde van St. Jacob blz. 295.

[105] A. Beeloo 1851 publicatie in Nederlandsche Crestomanie

[106] Ter Gouw, 1862 over de instelling der ridderorde van St. Jacob. 214. De Gilden eene bijdrage tot de geschiedenis van het volksleven 1866