Sectie Historisch Onderzoek "Hollant"

Staatkundige geschiedenis Nederland 900-1300

lage landen 100-500
lage landen 100-500
De moord op Godfried de Noorman
De moord op Godfried de Noorman
Het graafschap van Gerulf
Het graafschap van Gerulf
Holland Zeeland en rampen
Holland Zeeland en rampen
Wapen Willem II
Wapen Willem II

Voorwoord Nieuwsbrief 2022

Het blijft een boeiende speurtocht de ontwikkeling van het grafelijk gebied in Friesland, Holland en Zeeland te beschrijven. Om het relatief kleine gefragmenteerde gebied in de 13e eeuw tot een graafschap te maken is veel strijd geweest. De bekende Willem II en Floris V waren in staat het domein in stand te houden. Als bronnen zijn vooral de werken van Kees Nieuwenhuijsen; de strijd om West–Friesland en van Arie de Klerk Vlaardingen in dewording tot het graafschap benut, die een overvloed aan gedetailleerde informatie geven. Zeer informatief is het werk van Luit van der Tuuk, De Friezen.

In het onderwijs op de basisschool komt met de bespreking van de ontstaansgeschiedenis van Nederland altijd de zin terug” Karel de Grote kende in zijn gebied de Friezen, Franken en Saksen”. Wat in de geschiedenisboeken over Friesland vermeld wordt is een ander gebied dan wat nu tot Friesland behoort. Het oorspronkelijke bewonersgebied was Frisia. Dit was een kuststrook die liep van het tegenwoordige Bremerhaven in Duitsland naar het Zwin, een natuurgebied bij Cadzand in Zeeuws-Vlaanderen. Pas in 719 werd Frisia ingelijfd in het Frankische Rijk. Rond 1000 was dit Friese gebied gedeeld in Oost-Frisia en West-Frisia. Aanvankelijk hebben Denen als Vikingen het beheer over dit gebied. Nadien komen leenmannen met als stamvader Gerulf. Hiervan is niet zeker of zij een Scandinavische achtergrond hebben. Hun ambitie is grote delen van West-Frisia te beheersen. Oost Frisia behoort tot het Heilige Roomse Duitse Rijk. Zuidelijk aangrenzend ligt Vlaanderen. Het deel van West Francië komt Frankrijk toe na de deling van het Frankische Rijk door de kleinzonen van Karel de Grote. Uit Lotharingen ontstaat Brabant. Opvallend is het roerige bestaan van de leenmannen van West-Frisia die praktisch altijd moesten of wilden vechten om hun gebied te behouden. Natuurlijk waren er ook periode van vrede. De weldaden waren meestal gericht op het zielenheil met de bouw van kerken en kloosters en bescherming van de onderdanen. Later ontstond de begunstiging van de steden gericht op handel en stedelijke ontwikkeling. De beschrijving van de opstandige bevolking in West-Frisia is soms niet duidelijk. De Westfriezen die niet aan de Hollandse graven onderhorig wilden zijn waren de “etnische” Friezen, die door het ontstaan van de Zuiderzee gescheiden waren geraakt van hun “volksgenoten” in het huidige Nederlandse Friesland & het Groningse platteland, het Duitse Oost-Friesland en Noord-Friesland, tegenwoordig het noordelijke stuk van Sleeswijk-Holstein. “West-Frisia” was veel groter en omvatte bv. Kennemerland en Zeeland met een bevolking die nooit opstandig is geweest tegen het Hollandse gravenhuis.

Het huidige West-Friesland is een driehoek tussen Medenblik, Enkhuizen en Hoorn. De opbouw van Holland ging in de 11e tot de 13e eeuw gepaard met het winnen en verliezen van land. Soms had de graaf nog maar weinig in beheer door overwinningen van de Friezen. Van Dirk V werd veel land aan de bisschop van Utrecht overgedragen, later zal dit teruggegeven worden maar Dirk had ruim 12 jaar nauwelijks bezit. In een afsluitend hoofdstuk worden in een kort overzicht overstromingen door de zee beschreven die het grondgebied teisterden. Deel twee geeft een overzicht van de geschiedenis van rooms-koning Willem II, een jong overleden vorst die stierf in de strijd om West-Friesland.

Dank aan Floris de Boer voor zijn aanvullingen en correcties.Albert de Bruijn, Amstelveen 2022

Hoofdstukken

Deel I

De geschiedenis van de Friezen…………………………………………………….5

De staatkundige verhoudingen in de Nederlanden van 900-1300………………..7

Over de rechten en plichten in het Karolingische rijk…………………………....8

Lotharingen en het totale Friese gebied dat tot aan Brugge liep………..……….9

Gerulf en zijn nakomelingen……………………………………………………....11

De Friese graven en de uitbreiding van gebied.………………………………….12

Het leven van Dirk II………………………………………………………………14

Veranderingen in het leen………………………………………………………….16

Afname van de bisschoppelijke macht in Utrecht..………………………………20

Dirk VII (11?-1203) en Willem I zonen van Floris III……………………………23

De graven van Holland en Zeeland………………………….…………………….24

         11. Floris V……………………………………………………………………………....26

         12. De kust en het water………………………………………….…………………….29                                              

          Literatuur en bronnen...………………………………………………………….....…31

Deel II

De geschiedenis van room-koning Willem II, graaf van Holland………………………..32

Literatuur……………………………………………………………………………………35

  Deel I

De geschiedenis van de Friezen

Het blijft moeilijk vanuit de weinige bronnen die er zijn te omschrijven wie de oorspronkelijke bewoners waren die de naam Friezen kregen. De Romeinse bezetters vanaf noemden vanaf 10 na Chr. het gebied tussen het Zwin (bij Brugge) en Wezer (bij Bremen) Frisia. Het latere Zeeland, Holland, Friesland en Groningen werd Oost Friesland genoemd. Rond 800 deelden de Franken deze gebieden in met de namen West Frisia Midden-Frisia. Oost-Frisia vanaf de Eems en Noord-Frisia was ten noorden van de Elbe gelegen. Met de Romeinen was er met de Friezen zolang er redelijke handelsmogelijkheden waren met de uitwisseling van voorwerpen en geschenken vrede. In het jaar 28 had een Friese opstand de Romeinse legioenen een forse nederlaag geleverd en nadien werden de Friezen gerespecteerd. In het jaar 69 ontstond er een Bataafse opstand waar Cananafaten, Bataven en Friezen de Romeinen in afzonderlijke contingenten konden verslaan en zelfs uit het rivierengebied verdreven.1

In feite was het Fries gebied een uithoek in het Romeinse Rijk. De Romeinen zagen de bezetting van Britannia als een hoger doel en om de manschappen goed te verdelen werd de bovengrens van het Rijk de komende eeuwen de Rijn waar langs de limes vele forten gebouwd werden. Na 270 werden deze limes verlaten en trokken de legers naar Belgica en Galliae.

Het kwelderland stroomde regelmatig over. De bewoners trokken naar het binneland en bewoonden daar op de aangelegde terpen. Archeologische vonsten geven alleen bewonersinformatie over de verspreiding van de Friezen en er zijn geen overgeleverde geschriften. Archeologisch kan men afleiden dat verschillende bevolkingsgroepen zich vermengden.2 De Angelsaksen mirgreerder niet naar het westen (Noord-Holland). Zuidelijk werden Friese vestigingsplaatsen lokaties langs de Oude Rijn zoals Koudekerk, Katwijk, Valkenburg en Rijnsburg, dit waren de oude Romeinse vestigingen.3 Aanvankelijk was de taal in de kustgebieden van Zuid-Engeland tot aan de Elbemonding, het Noordzee-Germaans, een voor de bewoners goed communicatiemiddel. Met komst van de Merovingen dynastie en hun opvolgers de Franken veranderde de taal in Noord-Holand in een meer Frankische als gevolg hiervan ontwikkelden de Friezen een eigen taal. De Franken konden met machtige legers hun rijk verder noordelijk uitbreiden en er ontstond met de Friezen een vermenging van leefstijl. Desondanks trachtten de laatsten zoveel mogelijk een eigen stijl te behouden.

Van der Tuuk heeft in zijn studie De Friezen geen onderworpenheid aan de Franken kunnen aantonen, hoewel er van een grote invloedsfeer zeker sprake is geweest.4 De Friese samenleving was opgebouwd uit kleine koninkrijkjes, geleid door krijgsheren met een gelaagde elite. De Merovingers in hun land hadden naar Romeinse traditie een centraal gezag ingesteld. Het is niet uitgesloten dat ten tijde van oorlog er een centraal bestuurscentrum met een koning in Frisia opgericht werd. Topografisch bezaten de Friezen het heidense Noordzee gebied en de Merovingers met Austrasië het midden rivierengebied, Dorestad was een neutrale handelsplaats. Voorheen was Frisia Magna een gebied vanaf de Deense westelijke kust tot aan het huidige Zeeuws-Vlaanderen. De zuidelijk grenzen waren de rivieren onder het bisdom Utrecht en oostelijk liep het gebied buiten het bisdom naar het noorden . Het was een bezet gebied dat niet gekolonialiseerd was. Het geheel bestond niet uit afgebakende gebieden en er was geen centraal gezag. Pippijn versloeg Radbod in 695 bij Dorestad en hierdoor kwam de rivierengrens in Frankische handen. De Utrechtse Vecht konden de Friezen behouden een belangrijke verbintenis voor de handel in Dorestad.

Na een aanvankelijke overwinning van Radbod op Karel Martel weet de hofmeijer de Friezen te verdringen uit het rivierengebied inclusief de Vecht. Het grootste deel van de Friezen werd hierdoor aan de Franken onderworpen. Karel Martel was de veroveraar van West- en Midden–Frisia, in de jaren daarna veroverde Karel de Grote Oost-Frisia. De Franken stelden een tribuut in. De rechten bleven behouden mits de edelen een eed van trouw aflegden. Voortaan werden de gouwen in het hele Friese gebied met de kustbewoners tot een gebied bestempeld. De hierin aangestelde graven waren handhavers van de rechtsorde en veiligheid. Verder ontstond documentatie in het rechtsgebied. De rechten van het land werden in de Lex Frisionem vastgelegd.

Onder Frankisch gezag ontstonden de door de leenheer vastgelegde leenverhoudingen met de heervaart, de verplichte dienstplicht voor gevechten en oorlogen. De mogelijkheid tot handel in land en overzee werd volop benut, toch vormde de agrarische cultuur het grootste deel van het Friese leven. Dorestad was lang een centrum van Friese handel. De uitgebreide handelstroutes van de Friezen waren langs de Noordzee en Oostzee kust, naar Engeland, de lage Landen en via de grote rivieren naar hun oorsprong in de oostelijke landen. Na de negende eeuw nam de Friese handel af nadat de Saksen deze grotendeels overgenomen hadden. Havensteden rond de Zuiderzee kwamen hierdoor in ontwikkeling en maakten verbanden met grote steden die tot een Hanze samenwerking zouden uitgroeien.

Vanaf deze periode werd de Frankische invloed steeds groter. Christelijke herders hadden als zendelingen met geweld getracht het Friese afgodendom bestrijden, maar dit had alleen veel Fries verzet tot gevolg. Het meest bekende herinnerde relaas is de geweldadige dood van Bonifatius in 754. De Franken trachten zoveel mogelijk de predikers te beschermers, omdat de kerstening de eenheid van inlijving van gebieden zou versterken. Toch kon niet verhinderd worden dat missionarissen verdreven werden. Andere bekende namen van zendelingen zijn Willehad en Liudger die jarenlang zich als predikers ingezet hebben. Karel de Grote en Lodewijk de Vrome gaven de Friezen meer vrijheden. Het uiteindelijke doel was hen ook te gebruiken in heervaart in het gebied van Wezer tot aan de Vlie in de strijd tegen de invallende Denen en de vijandige Saksen. Met de afdracht van tribuut werd het koninklijk gezag erkend. Koning De in Friesland neergestreken Denen die zich met geweld gebied toegeëigend hadden raakten in hevige strijd met de legers van koning Lotharius. Na de verdeling van det Frankrische rijk onder drie broers, de zonen van Lodewijk de Vrome had Lotharius het middenrijk Francië met Frisia boven de Schelde geërfd. Een politiek die meerdere vorsten naar Engels voorbeeld toepasten was de Denen een klein vorstendom te laten beheren zodat er hierdoor aanvallen naar meer gebieden voorkomen konden worden. In een verbond met de Denen Rorik en Haraldr Junior was Dorestad onder hen verdeeld. Tevens waren gebieden in Oost Friesland in Rüstringen aan de Wezer en op Walcheren en door Lodewijk de Vrome als leengebied gegeven.5 Desondanks bleven rooftochten niet uit en de opzet mislukte volledig. De aanwezigheid van de Denen in het rijk van Lotharius werd hem in 844 te veel en zij werden vermoord of gevangen genomen. Ook een vestiging in Saksen gaf aanleiding tot moord en uitdrijving van Deense machtshebbers. De Denen bleven slechts op vermeerdering van hun bezit gericht en waren niet als bondgenoten geschikt. Een aantal Friezen hadden zich aangesloten bij Noormandische piraten die in het noorden roofden, moorden en verkrachtten. Uiteindelijk konden de Frankische koningen aanvallen beëindigen en waren zij in staat de daders te straffen. Deense hertogen werden verbannen, in de val gelokt of vermoord.6

In het Friesland dat daarna ontstond kregen West-Friese graven onder talloze grafelijke bestuurders de leiding en werden de stamvaders van het Hollandse gravenhuis. Frisia was en bleef lang een verbrokkeld gebied. Vanaf Lodewijk de Vrome konden de Friezen zich vrijen beschouwen en bezaten vanaf de 11e en 12e eeuw een gebied met eigen rechten en gezag. Dat dit nog eeuwen lang voor herhaaldelijke gewapende conflicten en oorlogen heeft gezorgd zal in de volgende hoofdstukken beschreven worden.

De staatkundige verhoudingen in de Nederlanden van 900 tot 1300

Uit het rijk van Karel de Grote ontstond het Oost Frankische Rijk, het Middenrijk en het West Frankische rijk. Aanvankelijk was het Middenrijk, dat de keizerstitel verwierf. Maar na de splitsing van het Middenrijk ging deze naar het Duitse Oost-Francië: das Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.

De keizer in het Duitse Rijk was de leenheer van de Friese Gerulfen graven. Zij bouwen hun domeinen op vanuit schenkingen en lenen. Het Middenrijk (Midden-Francië of Lotharingen, c.q. het rijk van Karel de Grote’s kleinzoon Lotharius) en het Duitse rijk hebben grote belangen bij een goed bestuur van de lage landen en steunen de bisschop van Utrecht met legers. De bisschop van Utrecht raakt vaak bij gevechten met de Hollandse en Gelderse graven betrokken. Uit Neder-Lotharingen ontstaat het hertogdom Brabant. Zuidelijker heeft het machtige bisdom Luik zich ontwikkeld. De ontwikkeling van Henegouwen en Vlaanderen wordt niet beschreven. Hoe de vorming van deze grafelijke gebieden werd uitgebreid is vermeld in de Nieuwsbrief 2019.

Hieronder volgt een tweehonderdjarige geschiedenis van de graven van Holland die na veel verliezen een hoofdleen van Holland met een deel van Zeeland krijgen nadat de strijd met West-Friesland en Vlaanderen beslist was in het voordeel van Holland. Na de dood van Floris V werd de strijd met Vlaanderen hervat. Deze landstreek was zowel Duits als Frans leen, en werd verdeeld in Rijks en Kroon Vlaanderen en werd in die gebieden door de leenheer beschermd. Na de dood van graaf Jan I, volgden de graven uit Henegouwen hem op en werd dit graafschap een eenheid met de Hollandse erfenis.

De rechten en plichten in het Karolingische rijk

Deze waren vrij eenvoudig samen te vatten. Het recht bestond gewoonweg als een begrip. Het recht kon beschouwd worden maar niet gemaakt. Verordeningen waren uitdrukkingen van de wil van de heerser. Gerechtelijke zittingen zoals landgerechten vonden plaats onder leiding van de koning. In kleinere gebieden zaten schepenen voor. De wet was er op gericht wraak te voorkomen. Schuld was niet belangrijk. Het ging om een vereffening met weergeld en boete. Hierdoor was van enig gelijk recht geen sprake. Vrijen ontvingen tweemaal zoveel zoengeld als onvrijen en slaven ontvingen geheel niets. De doodstraf kon in Friesland afgekocht worden, tenzij men niet kon betalen dan werd het een halszaak. Eerwraak komt in pas na de elfde eeuw als een zuiveringsdaad tot uiting en blijft lang onbekend als misdrijf. Als er sprake was van bloedwraak als vergelding wilde de heer de schade zo veel mogelijk beperken door een zoenovereenkomst te sluiten of verbanning te verordonneren.

De koning bezat basisrechten zoals de muntslag, het ontvangen van tollen, de aanleg en beheer van wegen, het verlenen van markten en de oproep tot krijgsdienst.

De plichten die tot het leen behoorden, waren ingesteld en uitgewerkt door Karel Martel die in de strijd tegen de Moren veel ruiters c.q. ridders nodig had. Om hen aan zich te binden schonk hij economische voordelen, meestal door stukken land in leen uit te geven. Na hun krijgsdienst konden zij zich als vazal op het in leen ontvangen grondgebied vestigen, maar zij bleven oproepbaar voor de actieve dienst. De eerste c.q. rijkste leenheren waren als warlords, heersers over een gebied. Zij brachten op verzoek van de keizer of koning contingenten strijders mee, al dan niet te paard (ruiters c.q. ridders) en noemden zichzelf graaf of hertog of verkregen die titel als gunst.

De vazallen zworen de eed van trouw, de betaling van de verleende plichten werd gedaan in land. Aan het leen was een overeenkomst verbonden over de verdeling van de opbrengsten van het land. De vazalliteit is te beschouwen als een beneficium (een voorrecht van leengoed) en in feite waren zij de knechten (knights) van de heer. De leenman van de vorst kon op zijn beurt ook leenheer zijn, wel met de verplichting om desgevraagd zijn onderdanen voor de krijgsdienst te leveren. Zo kon het leen zich uitbreiden in de sociale trappen van heer ( c.q. vorst), leenman, ruiter, horigen. Het leen had belangrijke voordelen: het gaf recht op bescherming en inkomsten. Deze bescherming ontving de achterleenman van de heer die verplicht was het recht van bescherming te waarborgen. Met commendatio ontving hij dan het achterleen met overgave van diensten aan de heer.7 Alleen de vorst bezat de hoogste militaire en rechterlijke macht. Tijdens hun reizen door het land spraken koningen, hertogen en graven recht, inden de boetes en hieven de belastingen.

Hoge geestelijken verkregen de status van immuniteitsheer. Zij konden leenmannen naar eigen behoefte inzetten en mochten hoog te paard ten strijde trekken. Om alles in goede orde te laten verlopen bereisde de koning het land en deelde de taken met zendboden. Dit was een hoge leek of een geestelijke die uit naam van de koning controleerden. Toonde een inspectie verwaarlozing aan dan werd orde hersteld. Na 1300 verdween het leenstelsel in Nederland door ontstane immuniteit en het verzaken van de leenplicht als gevolg van verheffing van de leenman in rang en het erfelijk worden van het bezit.

Lotharingen en het Friese gebied dat tot aan Brugge liep.

Lotharius, Lodewijk II en Karel de Kale verdeelden na de dood van hun vader het rijk in 843 in drieën, zo ontstond Lotharingen.

Oost-Francië en West Francië. Lotharingen werd in 870 gesplitst en verdeeld, totdat Lodewijk III in 880 weer geheel Lotharingen bij zich voegde.

Onverwacht komen rovers uit het noorden naar de westelijke kustgebieden en Engeland. Aanvallen over zee door daarvoor onbekende volkeren waren een nieuwe dreiging geworden. De uit Scandinavië afkomstige Noormannen c.q. Vikingen streken neer en veroveren grote stukken land. Na heftige strijd ontstaat het gedogen van deze vreemdelingen door de aanwezige landheren. Dan volgt er een nieuwe ontwikkeling. De al gevestigde leenmannen gaan streven naar soeverein bezit van eigen land. De toekomstige Hollandse gebieden waren rond 900 nog beleende landstreken in het alles omvattende Neder-Lotharingen, dat liep van de Wadden tot de Ardennen. (Afbeelding groen). Voordat de splitsing van Lotharingen in Neder en Opperlotharingen in 959 ontstond behoorde dit gebied tot het Middenrijk, een deel van het Karolingische rijk dat toekwam aan Lotharius I na de dood van Lodewijk de Vrome. 8

Deense Vikingen vallen in de negende eeuw Friesland binnen en in 834 bezetten zij viermaal Dorestad en plunderen alles. Hun doel om in het oosten gebieden te veroveren mislukt. Er ontstaat vrede en de Deense koning uit Jutland Harald Klak laat zich in 826 met vierhonderd man dopen en ontvangt hierdoor het graafschap Rustringen in Oost-Friesland in leen. De doop was een geschikt middel om vazal te worden aan het Frankische hof en beschikbaar te zijn voor de verdediging van toekomstige invallen van Noormannen. Harald Klak was op enig moment van zijn eigen troon verdreven en koos voor een toekomst in Lotharingen. Lodewijk de Vrome geeft in 841 aan de twee broers, Harald de Jongere en Rorik, het beheer over de landen rond Walcheren en Dorestad, ervan uitgaande dat een beloning beter werkt dan hen als een voortdurende vijand te bestrijden.9 Zijn opvolger keizer Lotharius I volgt hetzelfde beleid. De verheven Harald en Rorik blijven desondanks plunderen en Lotharius kan maar weinig tegenstand bieden. Hij slijt bang en moe van het terugkerende geweld zijn laatste jaren als monnik in het klooster Prüm. Viking Rorik krijgt de heerschappij over Dorestad toegewezen en Harald over Walcheren. Als Rorik vertrekt met zijn landsman Godfried naar Denemarken krijgt de zoon van Lotharius I, Lotharius II heel Friesland in eigen beheer. Terug na een mislukte greep naar het Deens koningschap wordt Rorik na zijn nieuwe inval met Vikingen gedurende 30 jaar heer over Friesland. Dit omvat niet alleen Kennemerland maar Noord en Zuid Holland, Midden Gelderland en Zeeland. Rorik krijgt de taak Lotharingen met deze buffer tegen invallen te beschermen.10 Deze bescherming voldoet niet want de nooit tevreden Noormannen trekken vanuit het noorden naar Utrecht en Nijmegen voor grond en buit. Het bewijs dat de Vikingen in Wieringen Noord-Holland verbleven toont een daar gevonden schat.11

In 882 neemt de zeekoning Godfried de Noorman (de Deen) het kustgebied vanaf Zeeland tot aan de Eems inclusief Utrecht en de Betuwe van de koning van Oost en West Francië, Karel de Dikke (839-888) over. Onder voorwaarde dat hij zich laat dopen wordt Godfried erkend als leenvorst. De dreiging van terugkerende aanvallen van de Vikingen bleef desondanks bestaan want Godfried had daarvoor Aken bezet en was opgetrokken naar Metz en Karel de Dikke zag geen andere uitweg om hem te stoppen dan door hem te belonen.12 Het plan faalt want Godfried wil meer macht en gaat met Hugo van Lotharingen, een vijand van Karel de Dikke, een verbintenis aan. Dit zal dit slecht aflopen want de brutale inhalige Godfried wordt met zijn Vikingen vermoord op een bijeenkomst in de Betuwe. Tijdens een ontstane ruzie met afgunstige vazallen van rooms keizer Karel de Dikke komt hij in een gevecht om, Dit verhaal blijft in nevelen omhuld, toch is nooit uitgesloten dat de keizer zelf de opdrachtgever tot de moord was.13

De meeste Vikingen waren ten zuiden van de grote rivieren gevestigd en vertrekken pas vanaf 892. Er komen Frankische leenmannen voor hen in de plaats.

Een zekere Gerulf krijgt macht in het leen Frisia in het Frankische gouw Westergo. Zijn kleinzoon Gerulf II wordt daarna ook met leen aan Westergo verbonden. Van verdere familie weten we dat zijn broer Gardulf was en dat zijn vader zeer waarschijnlijk een Dirk (880) was. Zij, de Gerulfingers, zijn de stamhouders van Hollands gravenhuis. Daarna volgen in lijn de beter beschreven Dirk I (940) van Frisia en Dirk II (939-988) van West-Frisia. Franeker is de hoofdstad van Westergo en Staveren van Zuidergo. Arie de Klerk vermeldt in zijn onderzoek dat Gardulf graaf rond 880 van Zuidergo was en Gerulf bezittingen had bezuiden de Oude Rijn, in dit onderzoek wordt van Nieuwenhuizen gevolgd.14

Na 1000 verdwijnen groepen Noormannen snel uit de lage landen. In Engeland en in Normandië blijven wel vestigingen van de Vikingen bestaan zoals in East Anglia, in York en Dublin.15 In 1166 onderneemt de Engelse koning Hendrik II de onderwerping van Ierland en dit wordt rond 1300 slechts in het oostelijk deel gerealiseerd.

De medeplichtigheid van Gerulf in de moord op de Viking Godfried is de geschiedenis als een waar feit ingegaan, maar Nieuwenhuijsen sluit dit uit. 16

Gerulf en zijn nakomelingen.

Of Gerulf ook Noorman was valt slechts te gissen. Hij wordt gezien als de voorvader van het Hollandse huis uit Friesland of Kennemerland.17 Gerulf wordt als Gerulf II omschreven, zijn vader was meest waarschijnlijk Gerulf de oudere. Hij heeft twee zonen die belangrijke gebieden beheren. De oudste zoon is Waldger, graaf van Teisterbant en van de gebieden langs de Lek en Hollandse IJssel. Hierover in een volgend stuk meer want Teisterbant is een gewilde landstreek. De jongste zoon Dirk I leent de West-Friese gebieden.

Een kort overzicht van leenmannen naar van Nieuwenhuijzen. 18

Dirk gratia Dei (Fries)

Gerulf I (West-Frisia)

Gerulf II kleinzoon van Gerulf I (Kennemerland) Nifterlake en delen in Utrecht (Houten).

Gerulf II met zonen Waldger (Teisterband) - Dirk I (Kennemerland)

Dirk II (zoon van Dirk I), (Kennemerland, Maasland en Texel)

Arnulf (zoon van Dirk I), (Kennemerland, Maasland en Texel)

Arnulf van Gent, zoon van Dirk II, beheerder in Vlaanderen.

Lutgardis, Dirk III (zoon van Arnulf), (Kennemerland, Maasland, Texel en Rijnland)

De namen Arnulf en Gerulf doen Deens aan en duiden op een Deens-Friese afkomst. De Klerk geeft met zijn indeling Gerulf sr. zoon van Karel de Grote als stamvader aan. Zijn zoons zijn Radulf en Gerulf de Oudere (839) en hun zoons Gerulf II en Radulf. De zoons van Gerulf II zijn Waldger en Dirk I. Dirk I huwt Gerberda Billung. Hun zoon is vervolgens Dirk II die Hildegard van Vlaanderen huwt.

Afbeelding De moord op Godfried de Noorman, naar Louis Fabricius Dubourg 1749-759.

In de 10e eeuw is Teisterbant een vestiging onder de Duitse kroon en dit verandert in de 11e eeuw met de vorming van de Utrechtse bisschoppelijke staat die zowel een kerkelijk ambt als een keizerlijk toezicht omvatte. Deze vorming blijft eeuwenlang een twistpunt met de omliggende leenmannen.

Friesland en Utrecht verschillen in hun opbouw met de andere delen van de lage landen zoals Holland, Gelre, Vlaanderen, Brabant en Limburg en vele kleine deelstaten in het Duitse rijk. Water is in Friesland een hoofd element, een dreiging soms een toevlucht. De bisschop van Utrecht bezat het Sticht. Dit gebied omvatte een oostelijk deel van Holland (de Gooistreek) met Utrecht tot en met de Veluwe. In het noorden bestond het vanaf 1010 keizerlijk geschonken Oversticht, met hierin Overijssel, Drenthe, Groningen en grote delen van Friesland. Samengevat een groot bisschoppelijk land ten westen van het Duitse keizerrijk. Bisschop Willem I krijgt zelfs in 1064 van de Duitse koning de leengebieden van de Hollandse graven geschonken door deze van hen te ontnemen. In een daarop volgende oorlog over deze leengebieden weet de bisschop zelfs graaf Dirk V te verslaan. Toch is een tevreden sterke Hollandse graaf strategisch wel wat waard en na de dood van Willem I in 1076 krijgt de graaf Dirk V zijn leen van de keizer terug.

Friesland blijft lang voor de inname door Floris V een ontoegankelijk gebied. Het Sticht gaat land inboeten door veroveringen van de graven van Holland en Gelre. Pas in 1339 werd Gelre verheven tot hertogdom. Ook bemoeiden zij zich maar al te graag met de aanstelling van de Utrechtse bisschop, zodat zij die voor hun eigen gewin konden beïnvloeden.

De Friese graven en de uitbreiding van gebied.

De geschiedenis van het land van de leenmannen van het in het westen opgedeelde Frankische rijk is niet zeker. In die gebieden ontwikkelen zich krachtige mannen die zich gebied toe-eigenen. Zo ook de leden van het te beschrijven gravenhuis.

De geschiedenis van het Friese Huis met de Gerulfingen begint rond 850 de periode waarin Gerulf II, zoon van een Fries vorst geboren wordt.19 De namen van de eerdergenoemde Gerulfen worden niet in moderne samengestelde geschiedenislijsten gevoegd. Gerulf zal na de dood van Godfried de gebieden in Kennemerland met Rijnland en Teisterbant in 889 in handen krijgen. Zijn gezag gaat over een gebied van Egmond tot aan Monster. Beschreven is dat Gerulf II Teisterbant en een gebied rond Bennebroek officieel in eigendom ontving. 20 Of de schenking van Egmond en Wieringen van Karel de Eenvoudige opgemaakt is in een koningsorde blijft onzeker door onvolkomenheden en verwarrende datering van de overgeleverde documenten.

Gerulf is vader van twee zoons, Waldger de Fries en Dirk I die in de grafelijke lijst een stamvader wordt. Zijn vorst Karel de Dikke van Oost-Francië en Lotharingen treft in hem een trouw onderdaan, aangenomen wordt – maar niet door alle historici - dat hij een actieve rol had in het ombrengen van Godfried de Deen. Waldger, graaf van Teisterbant en Nifterlake is ook tolheer in Muiden. Hij sticht een nonnenklooster in Tiel en een kerk gewijd aan St. Walburgis. Dirk vestigde zich in Rijnsburg, Waldger in Tiel. Als de laatste overlijdt, is zijn zoon Radbod in 936 zijn opvolger, na 944 is er geen documentatie meer over hem te vinden.

Dirk I erft in 922 het leen van het kustgebied, dit is als West-Frisia aangegeven. Tevens ontvangt hij de kerk van Egmond, een schenking die overerfbaar is. De Friezen willen Dirk niet als hun heer erkennen en onder gezag van de keizer blijven. Een onvermijdelijke strijd volgt. Dirk wint en de Friezen worden veroordeeld tot het dragen van een strop om de hals. Na deze nederlaag gaven zij zich na een periode van vernedering gewonnen en erkennen hem als hun heer.21

De overlevering van de schenking van de kerk in Egmond is vastgelegd in oorkonden die in de abdij van Egmond die in de 12e eeuw zijn opgemaakt. Voortaan zal Dirk I de titel prefect van de kuststrook dragen, een beschermheer van de kuststrook.

Dankzij het verworven gezag over West-Frisia wordt Dirk I als eerste toekomstige graaf beschouwd van praktisch geheel Noord-Holland, later wordt de eerste officiële naamduiding graaf van Holland verbonden aan Floris II.

Van de woonsteden is weinig bekend. Wel is de relatie met de abdij van Egmond overgeleverd. Dirk I schenkt twee boerderijen uit het dorp Allecmere. De Adalbertkerk te Egmond werd in 922 geschonken door de West-Frankische koning Karel de Eenvoudige aan het ”grafelijk huis ”.22 Daarnaast ontvangt hij het allodium (leengoed zonder belasting) tussen Rijn en Suidhardeshaga, dit laatste is het IJ-gebied van Katwijk tot aan Schoorl met Fortrapa op Wieringen en Kinnem op Terschelling. Wegens dreiging van storm, water en wind laat hij de relieken van Adalbert naar Hallem verplaatsen. Een houten kerkje en een nonnenklooster krijgen nu de naam Egmond dat het latere Egmond-Binnen wordt. Het geheel staat onder de wereldlijke macht.

De oudere broer van Dirk I, Waldger, is graaf van Teisterbant in het Nifterlake, een middeleeuws gouw in het gebied rond Utrecht langs de kromme en oude Rijn en het gebied tussen Lek en IJssel en de Vecht tot na Muiden met de tolpoort. Teisterbant liep van Vlaardingen tot Tiel. Tiel wordt een welvarende stad. Waldger steunt de bisschop Radboud in de aanvraag aan de koning om Utrechts immuniteit te verlengen en de bisschopszetel daar weer te vestigen. Hij wordt na zijn dood opgevolgd door zijn zoon Radboud die vernoemd is naar de bisschop. Daarna zijn de stiefbroers Hatto en Aladram leenopvolgers.23 Teisterbant en het Merwedewoud is uit het West-Friese huis genomen naar men vermoed als straf van de koning.

Zoon Dirk II (970-988) heeft plannen voor een mausoleum voor het geslacht Gerulfingen. De houten kerk wordt na twee branden in het nonnenklooster vervangen door stenen kerk en er komt een mannenklooster ook van steen. De abdij ontvangt (van 889-985) vier charters van de koningen Arnulf van Karinthië, Karel de Eenvoudige, koning Lotharius van Frankrijk en keizer Otto III.24

Dirk II verrijkt de abdij door alle opbrengsten van de tol te schenken. De kerken van Noordwijk en Voorhout komen aan de abdij van Egmond. Meerdere Willibrord-kerken volgen in de tiende eeuw uit Heiloo, Oegstgeest, Petten Velsen. Vanuit de moederkerk in Heiloo wordt in Alkmaar een kapel gebouwd die gewijd is aan Sint Laurens, De Grote Sint-Laurenskerk is een kruisbasiliek die in de 15e eeuw gebouwd werd op de plaats waar de eerdere St. Laurenskerken in de voorgaande jaren door brand verwoest waren. Begin 12e eeuw breidt het dorp zich uit tot belangrijke grensplaats en wordt het kleine dorp een begeerde hoofdstad tussen West- Friesland en Kennemerland.

De abdij vermeerderde haar inkomsten met bezittingen in Egmond, Oudorp, Limmen-Heiloo, Graft, Oosthuizen en Kwadijk, verder de in Maasland, Westerlee, Schipluiden en in het zuidelijk deel van Holland. Zo vormen Egmond en Alkmaar met de graaf een grote bestuurlijke eenheid. Naast de Sint-Laurenskerk stond een stadskasteel het Hooge Huys, Het Princenhof dat tot het grafelijk hof behoorde.

Door het gebruik te maken van de verbindende rivieren kon het graafschap zich meer en meer naar het oosten uitbreiden. Onvermijdelijk zijn dan de overtredingen in het bisschoppelijk gebied en deze zullen herhaaldelijk beschreven worden.

Het leven van Dirk II

Als Dirk I overlijdt in 939 krijgt de 10-jarige Dirk II een opvoeding in de St. Pietersabdij te Gent.25 Dankzij het aanzien dat Dirk I genoot van de Franse koning kon Dirk II een vertrouwenspositie innemen aan het Vlaamse hof. Hij trouwt in 950 de dochter van de graaf van Vlaanderen Arnulf (I) de Grote, Hildegard van Vlaanderen. Arnulf bezit een groot gebied en wordt daarom met de bijnaam de Grote aangeduid. De machtige graaf is leenheer van de Franse koning. Door zijn huwelijk wordt Dirk II burggraaf van Gent en het aangrenzende land van Waas. Door deze verbintenis met Vlaanderen wordt Dirk – ook - leenheer van de Franse koning Lotharius, maar is ook van oorsprong vazal van de Duitse keizer. Arnulf de zoon van Dirk II wordt in 988 Vlaanderen geboren. Zo krijgt hij de naam Arnulf van Gent. Hij blijft aan het hof maar zonder de grafelijke rang.

Het lukte graaf Arnulf de Grote in 891 in de slag bij Leuven de Vikingen te verslaan waardoor het kustgebied lange tijd vrij is van aanvallen. Deze doorbraak zal het land zeer ten goede komen. Vanaf 790 zijn de Vikingen het Karolingische Rijk binnengedrongen. In 878 waren vanuit Engeland veel Vikingschepen overgestoken met het doel het vasteland te veroveren. Er werd stevig gevochten en dankzij de slagkracht van de heldhaftige Arnulf de Grote werden de Vikingen weer naar Engeland teruggedrongen.

Dirk II was door keizer Otto III beloond met goederen en inkomsten in Maasland, Medemblik, Kennemerland en Texel in eigendom. In West-Frisia verbouwde hij het houten kerkje in Egmond grafelijke grafkerk in steen en binnen komt een gouden altaar met evangelieboek. Voor het levensonderhoud dienen de opbrengsten van negentig hoeven rondom het kerkterrein en klooster. Volgens Nieuwenhuijsen is het graafschap van Dirk II goed te beschrijven met de verkregen informatie van de verplichte vergaderingen (de bottingen) in de dorpen en steden. Hier werd recht gesproken en belasting geheven. Zijn land is een 20 km brede strook langs de Noordzeekust met gebieden langs het IJ, met de Oude Rijn. Verder ontving hij als schenking het gebied met plaatsen tussen Lier en Hollandse IJssel, Maasland, Vlaardingen en Gouda, later volgt Zonnemaire op Schouwen.26 Afgaande op de uiteengelegen plaatsen waren het deelgebieden in Noord-Holland en in Zuid-Holland. Verbintenissen hier tussen ontstaan later.

Dat er later uitbreiding plaats vindt in het leenbezit is op de afbeelding weergeven. Het toont de annexatie van zuidelijke en noordelijke gebieden door Dirk III en Dirk IV.

Ook Dirk II wordt niet als heer van de Westfriezen aanvaard en het komt tot een veldslag nadat zij plunderend en moordend door Kennemerland zijn getrokken. Branden teisteren Haarlem en Alkmaar en er wordt grote schade aangericht. Dirk II treedt hard op en verslaat hen met hulp van de Leidenaars in 974 en sticht op de plek waar hij zijn overwinning behaalde in het toekomstige Rijnsburg (Rinasburgh) de Laurentius kapel.27

Het huwelijk met Liutgard van Luxemburg brengt Arnulf van Gent, dichter bij de leenheer de Duitse keizer Otto II die bij zijn huwelijk aanwezig was. De Gerulfingen en de Duitse vorsten ontwikkelen een goede verstandhouding. In 988 wordt Dirk II opgevolgd door zijn zoon Arnulf van Gent. Hij zit in een lastige positie. Het feit dat hij een vertrouwensman en zelfs kanselier van de Duitse keizer was, gaf hem in Vlaanderen geen voordeel want Frankrijk en het Duitse Rijk hadden menige strijd geleverd. De Franse koning Hugo Capet wijst de macht in het graafschap Vlaanderen toe het aan de zoon van de Vlaamse graaf Arnulf II, de achtjarige Boudewijn. Voor de West-Friese edelman blijft alleen het bezit en het beheer de noordelijke gebieden over d.w.z. West Frisia in Noord en Zuidholland met delen van Zeeland. De West-Friese onderdanen blijven met hem in conflict nu omdat zij zich de ontgonnen veengebieden toe-eigenen zonder instemming van hun heer. Arnulf sneuvelt in 993 tijdens de veldtocht die in opdracht van koning Karel de Eenvoudige gevoerd wordt. Aangenomen wordt dat hij gedood wordt in het gebied tussen mondingen van Maas en Oude Rijn en de Friezen achten zich winnaars.28 Het resultaat van deze overwinning is dat de Friezen noordelijk aanvallen doen in het West-Friese grafelijk gebied en de weduwe Lutgardis van Luxemburg in haar bestaan bedreigen waardoor Luxemburg haar toevluchtsoord wordt. West-Frisia is nu door de opstandelingen bezet. In het oostelijk deel lukt het de Duitse keizer de Friezen goed te weren. Het tij keert en in 1017 zal koning Hendrik met de harde hand van Dirk III in Frisia de orde herstellen.

Veranderingen in het leen.

De leenmannen gedragen zich in toenemende mate door de noodzakelijke verdediging en bescherming van het leengebied onafhankelijk van het keizerrijk en annexeren aangrenzende gebieden. Wanneer der afdracht van landinkomsten alleen de graaf en niet meer de keizer ten goede komen is niet beschreven maar ontstaat vermoedelijk begin 11e eeuw. Op allerlei manieren vermeerderen de graven inkomsten door tollen, markten en de ontstane handel, met zeevangst, heffingen op visserij, molenrecht enz. Het Westlauersch Friesland wordt na de Noormannentijd een van de meest welvarende streken, de landbewoners kunnen zich hierdoor in korte tijd van de plunderingen herstellen.

De aangestelde graven van Brunswijk vertegenwoordigen voortaan in Oost-Friesland op bevel van de keizer het gezag. Na hen komen Ecbert I en II, gevolgd door Hendrik de Dikke van Northeim. Verschuiving van handelsgebied vindt plaats. Dorestad viermaal geplunderd door de Noormannen wordt massaal door kooplieden verlaten die naar Keulen trekken. Utrecht wordt daarna de meest bevolkte handelsstad.

Arnulf van Gent en Liutgarde van Luxemburg kregen twee zonen Dirk III en Sicco (Siegfried). Dirk III(993-1039) wordt de prefect van het gebied rond Vlaardingen. Dit is een functie met een bewakingstaak gericht tegen verwachte Vikingaanvallen op de monding van de Merwede. Vlaardingen wordt een grafelijke residentie. Op 12-jarige leeftijd was hij verloofd met de 10-jarige Kunigunde van Luxemburg, zuster van zijn moeder, een huwelijk volgt niet hij trouwt Othelhilde van Saksen. In 1006 is hij buiten zijn moeder Liutgarde om door koning Hendrik II tot graaf van West- Frisia benoemd. Zijn broer Sicco is graaf over delen in West-Friesland en in Kennemerland en na zijn dood in 1030 komen de delen weer als een geheel in het grafelijk huis.

In Vlaardingen is een sterkte ter verdediging aangebracht op de Hoogstad een brede oeverwal. Van hieruit zal de bewaking van de stad en Merwede plaatsvinden.

Dirk III is een gedurfd landsheer. Hij trotseert in 1018 de strafexpeditie van keizer Hendrik II en Godfried de hertog van Lotharingen in de slag bij Vlaardingen en verslaat een groot leger. De keizer wil hem straffen omdat Dirk III de schepen vanuit die vanuit Tiel op Maas en Waal langs de burcht kwamen tol liet betalen. Tevens had hij de door de Friezen bebouwde gebieden in de Merwedestreek, het ontgonnen veenmoeras de Riederwaard, als ”beschermer” ingenomen. Toch liet hij de landbouwers vrij. Hierdoor ontstond een conglomeratie die Dordrecht zou gaan heten. Het is een uitbreiding naar het zuiden en richting Teisterbant. Hoger gelegen bezat de graaf rond de Rijn een uitgestrekt gebied met centraal het Rijnsburg. Overmoedig als hij is neemt hij naar het oosten toe leengebieden in van de bisschop van Utrecht die langs de Oude Rijn zijn gelegen. 29

Omstreeks 1000 komen dijkrechten in ontwikkeling en kan het drassige moerasland gewonnen worden, maar Dirk III bezat geen ontginningsrechten. Dit kan keizer Hendrik door de vingers zien, maar de tolheffing op de Tielse schippers niet, want het is een slinkse manier om het gouw Teisterbant in te nemen. Op de Rijksdag wordt Dirk veroordeeld en het treffen begint. Het loopt anders dan de keizer verwacht. Geluk speelt Dirk parten. Hertog Godfried wordt gevangen genomen, nadat zijn leger in verwarring op de vlucht is geslagen en de verliezen zijn groot. Het keizerlijk gezag faalt, maar ook Dirk krijgt maar deels wat hij wil. Hij zal nooit graaf van Teisterbant worden, want dit wordt Gerard II Flamens een voorouder van de graven van Kleef.

In het voortslepende conflict met de bisschop van Utrecht confisqueerde Dirk tevens de Echternachse kerken. Ook dit is tegen het beleid van de Duitse keizer en Hendrik IV (1056-1106) zal deze teruggeven aan het bisdom Utrecht en Echternach. 30 De broer van Dirk III Siegfried heeft Dirk gesteund in de strijd tegen de bisschop van Utrecht. Over hem is weinig meer bekend dan zijn verblijf in Rijnsburg en overlijden in 1030. Als gelovig man onderneemt Dirk III in 1030 een bedevaartreis naar Jerusalem over land. Als Dirk in 1039 overlijdt, volgt zijn 14-jarige zoon Dirk IV hem op.

Zoon Dirk IV regeert van 1039-1049.Ook hij heeft de ambitie graaf van Teisterbant te worden maar de bisschoppen van Utrecht, Luik en Metz bezitten daar lenen en eigendommen en zullen zich hiertegen heftig verzetten. Hij krijgt het voor zijn even zo grote uitbreidingsacties tot Heusden - met tolheffing op de aanvoerroutes, de annexatie vanveengebieden en plunderingen van de bisschop van Luik en Utrecht zwaar te verduren in de strijd met keizer Hendrik III (1039-1056). 31 Duitse keizer Hendrik III heeft twee strafexpedities tegen hem ondernomen in 1046 en 1047 met de vernieling van Rijnsburg, de strijd kon Dirk echter weerstaan zonder gevangenschap. De reden van de straf van de keizer was een vergelding voor zijn plunderingen en de illegale muntslag die Dirk IV en zijn vader ingesteld hadden. Na de verwoestingen van de grafelijke burcht te Rijnsburg keert de keizer terug maar loopt vast met zijn vloot in de omgeving van Dordrecht. Plunderingen van de omwonenden en de bootjes met de strijders van Dirk zorgden voor grote verliezen. De graaf die zo hard tegen de keizer moest vechten sneuvelde door een pijl in een hinderlaag bij Dordrecht die opgezet was door de bisschoppen. Misschien is gewoon in de veldslag gedood. Met zijn dood was de tegenstand uit Frisia geweken en de Lotharingse hertog Godfried met de baard lijkt de nieuwe landheer. De geestelijkheid was geheel niet tevreden met deze oplossing en de hertog uit Lotharingen werd op zijn beurt verdreven door de bisschop van Utrecht. Deze richt zich met keizer Hendrik III tegen de graaf van Vlaanderen.

Ondanks de bestraffing van Rijnsburg had Dirk kans gezien zeer veel land in het zuiden tot aan de grens Nijmegen Sint-Truiden in te nemen. De broer van Dirk IV Floris I (1049-1061) werd zijn opvolger omdat Dirk geen kinderen had. In 1049 gaat hij het geërfde noordelijke graafschap regeren. Het zuiden was door Utrecht bezet. Floris I bleek een vechtlustig man. Ook hij trachtte het grafelijk gebied naar het oosten ten koste van Utrecht en Gelre uit te breiden. Floris laat een burcht in Leiden bouwen ter vervanging van de verwoeste burcht te Rijnsburg die ook hersteld wordt. Ook hij laat munten slaan en krijgt van koning Hendrik IV hiertoe de rechten. De vesting was nodig omdat de conflicten met de bisschop van Utrecht over landeigendom bleven bestaan. In hoeverre het graafschap precies werd uitgebreid is niet duidelijk historische geschriften terug te vinden. In 1061 in de Bommelerwaard werd een rustende Floris na zijn overwinning op Utrecht tijdens een rustperiode lafhartig door een giftige pijl vermoord.

Dirk IV, wordt door zijn tegenstanders voortaan beschouwd als roofridder door zijn plunderingen en ontvoering. Hij en Floris I worden voor hun daden gestraft. Dirk V geboren in 1054 is nog te jong om te regeren zijn moeder Geertruida van Saksen neemt vanaf 1061 tot 1063 voor hem waar als regentes. Zij trouwt Robert van Vlaanderen, ook de Fries genoemd en hij neemt het regentschap in 1063 over en het bestuursrecht over West-Frisia, dit is maar voor een korte periode. Hanno, de bisschop van Keulen, weet zodanig te bemiddelen voor de nieuwe bisschop van Utrecht,Willem Flamens, dat deze in 1064 het hele graafschap ten westen van het Vlie (het water van Vlieland), de abdij van Egmond en het gebied om de monden van de Rijn in leen krijgt. In een tweede oorkonde vervallen kerken en hoeven in het Merwedegebied, Kennemerland en het gebied Holland aan de bisschop.32

In het Duits keizerrijk werd ook bepaald dat Oostergo en Westergo in 1089 aan de kerk van St. Maarten in Utrecht toegewezen werden en zo kreeg het Sticht een zeer grote macht die later door strijd met graven van Holland zal afnemen.33 Dit deel van Friesland bestond uit vier gouwen Westergo, Islego, Zuidergo en Oostergo, die volgens de verdeling het gebied vormden in het westen, zuiden, midden en oosten. Islego of Isselgo lag tussen Twente en Almeri (de latere Zuiderzee).

Zoals werd vermeld werd 1064 het door Dirk III op de bisschop veroverde Westflinge, het gouw ten westen van het Vlie en het door Friezen bebouwde en door Floris uitgebreide Merwede-tolgebied teruggeven aan Utrecht. Meer tegenslag volgt als Robert van Vlaanderen door bisschop Willem van Utrecht en Godfried van Lotharingen door een groot leger verslagen wordt. Het bezit van de graaf van Holland bestond hierdoor praktisch niet meer.

De hertog van Lotharingen, Godfried met de Bult, zal van 1071-1076 direct onder gezag van de keizer het graafschap beheren. In feite had hij alle door graven op de West Friezen veroverde gebieden in handen en kon zelfs de Oost-Friezen met hulp van de bisschop van Utrecht weren. Een ommekeer blijft niet uit. In 1076 wordt Godfried verraderlijk in de latrine met een speer door het gat vermoord, naar we kunnen aannemen in opdracht van Robert de Fries en Dirk V. Bisschop Willem overlijdt kort daarna. Zijn opvolger bisschop Koenraad is zeer koningsgezind en wordt op de burcht IJsselmonde door de twee overmeesterd. De burcht wordt vernietigd en de bisschop blijft als gijzelaar gevangen. De graaf eist in ruil zijn leenrechten terug. Zo is Dirk V (1054-1091) in staat zijn grafelijk gezag met moord en geweld en dankzij de hulp van het leger van zijn stiefvader Robert de Fries in grote gebieden te herstellen en zal beschreven worden als Comes de Hollant. Dit betekende dat hij de grondlegger van het Hollandse gebied geworden was. Het was echter ingenomen gebied zonder de noodzakelijke koninklijke leenrechten. 34 Vlaardingen wordt de voortaan de grafelijke thuisbasis. Dit blijkt strategisch de beste keuze. Keizer Hendrik IV wil de bisschop te vriend houden verleent bisschop Koenraad ter compensatie van het verlies de grafelijke waardigheid in het gouw Staveren.

Het Graafschap Holland en het Sticht in het Heilige Rooms Rijk rond 1300.

Het bestuur in de graafschappen Gelre en Kleef was ontstaan met graven van een tak van Vlaanderen. Gerard II de Vlaming en Rutger I worden voortaan als stamvaders beschouwd. Brabant vormde zich met de graven van Leuven en Neder-Lotharingen, Limburg met geslachten uit Opper-Lotharingen. Het gebied het Sticht werd definitief gevormd met giftbrieven uit 1089.35 De stad Utrecht kreeg vijf kapittelkerken, wiens kapittel andere kerkgebouwen en landerijen bestuurde.

In Utrecht was bisschop Willem (1054-1076) een van de meest gezaghebbende bisschoppen. Hij was aanvankelijk tevens graaf van West-Friesland. Zijn verzet tegen paus Gregorius eindigt in een onverwachte niet te verklaren dood. Op de Rijksdag in Worms had hij het afzetten van de paus voorgesteld en dit leverde hem een banvloek op. Zijn opvolger heeft ook een zware tijd. Bisschop Koenraad wordt in de strijd met de herovering van zijn graafschap door Dirk V te IJsselmonde verslagen en gevangengenomen. Hij wordt pas losgelaten als hij West-Friesland vrijgeeft. Vanuit het Roomse Rijk is er geen voldoende bescherming. De Duitse keizer Hendrik IV is wel in staat in het noorden de bisschoppelijke macht uit te breiden en verbindt het graafschap Stavoren, de Oostergo, de Westergo en de Islego aan het Oversticht.

Afname van de bisschoppelijke macht in Utrecht.

Konden de bisschoppelijke legers van Utrecht in 1049 Dirk IV in 1049 en Floris I in 1061 dodelijk verslaan, in de 12e eeuw veranderen de verhoudingen door de Investituurstrijd, waarin Utrecht uiteindelijk in 1112 partij voor de paus koos. De Zwabische keizers voelden zich hierdoor in hun positie bedreigd en benoemen zoveel mogelijk vorsten als vazallen tegen de steeds machtig wordende paus. Gelre en Holland zien tot hun voldoening de afname van de kracht van het bisdom Utrecht en steunen elkaar in aanspraken op de gebieden van het Sticht met het doel die in te nemen. In het Sticht heeft een dappere pausgezinde bisschop Godebalt (1114-1127) het zwaar onder keizer Hendrik V die hem met een belegering tot onderwerping aan zijn gezag dwingt.

Bisschoppen werden in hun begintijd zwaar belast met regaliënrecht en het aan de paus en kardinalen afstaan van de opbrengst van de bisschoppelijke tafelgoederen. Het bisschoppelijke ambt werd hierdoor sterk beperkt in het functioneren. Ontstane financiële problemen belemmeren het gezag. Een maatregel die een bisschop onvoorwaardelijk kon opleggen was excommunicatie voor de betrokkenen een gevaarlijke en uitzonderlijke maatregel om een plaatsing uit de christelijke gemeenschapo te ondergaan. Twee graven Dirk VI en zijn zoon Floris III ondergingen een banvloek van de abt van Egmond.

Een onverzettelijke bisschop was een grote last voor de graven en mede door hun invloed werden er voortaan bij voorkeur volgzame bisschoppen verkozen, een maatregel die veelal tegen de wens van de kerkbesturen inging. Het gevolg was dat het feitelijk gezag van de bisschop steeds meer afnam in grote gebieden van het Sticht die een autonoom bestuur kregen. In de 13e eeuw hebben de burgers in de stad Utrecht veel macht door de samengestelde gilden en vooraanstaande families. Leenmannen in het Sticht gedragen zich eigengereid en zijn ongehoorzaam ten opzichte van hun leenheer de bisschop.Voorbeelden zijn de door de bisschop aangestelde dienstmannen ( ministerialen) Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden die zich meer gezag in het gebied toe-eigenen en streven naar een hogere rang in het Stichtelijk domein.

De Investituurstrijd heeft voor Utrecht geen grote gevolgen. In 1075 wordt het de keizer door de paus verboden bisschoppen te benoemen. Deze maatregel duurt niet lang omdat koning Hendrik IV de paus afzet en een tegenpaus benoemt. Pas in 1122 wint het pauselijk gezag in de Investituurstrijd en vormen paus en bisschoppen een eenheid. Sterke bisschoppen in Utrecht bleven een uitzondering.

De Hollandse graven Floris IIde Vette, Dirk VI en zijn broer Floris de Zwarte winnen macht en aanzien. Floris II de Vette krijgt na de dood van Hendrik I, de graaf van Zutphen en Gelre, het onmiddellijk leen van het vruchtbare Westflinge en het legale achterleen van Holland. Hij wordt beschreven als een deugdzaam en rijk vorst. Het overgenomen land beheerde hij meer als landman dan als krijger. Zijn vermogen verwierf hij door der ontginning van gebieden langs Rijn, Maas en Merwede. Dit trekt volk aan en kolonisten vestigen zich in de ontstane landbouwgebieden, de welvaart neemt toe. Kerken laat hij herstellen en met steen ombouwen. Het van West-Friesland en het Sticht afgescheiden rivierenland en het in het zuiden tussen Maas en Ooster-Schelde waterrijke gebied tot aan Heusden was geen rijk land. De voor de graaf noodzakelijke inkomsten werden verkregen door de tolheffing in de Maasmond bij Vlaardingen en Geervliet.

Het gebied boven de Rekere bij Egmond en onder de Schelde bleef voor de graven niet gemakkelijk te beheersen want in het noorden bleven de gevechten met de Westfriezen bestaan. In 1148 onderneemt Dirk VI een veldtocht met een groot leger naar de opstandige gebieden. Na een smadelijke nederlaag keert hij terug en smoort de opstand met het platbranden van dorpen en een niets ontziende wraak met moord en plundering.

Dirk VI (1114-1157) was in staat enige rust aan de grenzen van zijn land scheppen met hulp van de rooms-koning Frederik I (Barbarossa), maar er worden na de dood van Dirk dood weer keizerlijk gezindte bisschoppen benoemd die een strijd niet vrezen. De burcht in Leiden heeft hij maar een korte periode in bezit en hij moet deze afstaan aan de bisschop van Utrecht als beheerder van Rijnland. In zijn regeerperiode komt de burcht toch definitief als leen in zijn bezit. De plaats was van grote strategische waarde nadat Rijnsburg in 1047 verwoest was. De houten omheining wordt een tufstenen ringmuur en er is een stevige versterking.

Zoals menig voorganger in zijn familie was Dirk VI ook nog te jong om zijn vader op te volgen. Hij wordt vertegenwoordigd door zijn moeder Petronilla van Saksen, die 8 jaar als regentes optreedt. Dirk heeft een één jaar jongere broer die ambitieus genoeg is om zich als de opvolger in Holland te zien. Tussen de broers ontstaat grote onenigheid over de grafelijke rechten. Gesteund door zijn moeder komt zijn broer Floris de Zwarte in opstand en noemt zich in 1129 graaf van Holland. Hij vlucht voor het leger van zijn broer naar West-Friesland en werd door Westfriezen en Kennemers erkend als gezagsdrager en bleef dit ruim een jaar. Hij sloot toen weer vrede met zijn broer deze kwestie. Hij is pas 18 jaar als hij in 1133 wordt vermoord als gevolg van een huwelijkskwestie met de van Cuijks.

Dirk VI is graaf van Holland en van delen van Zeeland. Hij ontvangt tot zijn teleurstelling niet het leen van Westergo, Oostergo en Stavoren dat eerder aan het Sticht gegeven was.36De bisschop van Utrecht ontving Midden–Friesland in 1138 weer in leen. In 1088 was het leen ook al aan Utrecht gegeven. Het achterleen gaat naar Hendrik I van Gelre. Wat Zeeland betreft heeft Dirk wel in 1130 het leen van Walcheren van de Duitse koning Lotharius III ontvangen. Dankzij het huwelijk met Sophia van Rheineck komen de lenen van Beveland en Schouwen onder zijn gezag.37

Door afkoop met schenkingen regelt hij de Echternachse kerkenkwestie en meent hiermee een verblijf in het hiernamaals veilig te stellen. De abt van Echternach ging akkoord, de abt van Egmond niet. Door ruzie met de abt van Egmond wordt hij niet daar niet daar maar in Rijnsburg begraven, want de abt had over hem en zijn broer Floris de banvloek uitgesproken. Zijn dochter Aleida, de abdis van de abdij van Rijnsburg, ontfermde zich over het lichaam na de dood van haar vader en brengt het daar ten grave.

Begin 12e eeuw wordt het grafelijk hof in Leiden aangelegd waarvan de toren, de Pieterskerk (vroeger een kapel) en Gravensteen overblijfselen zijn.38 Naast de graaf was een burggraaf aangesteld als burchtvoogd die tol hief en een controlerende taak had op visserij en het vee. Deze was tevens eigenaar van de aanwas van de gronden in het Rijngebied.39

Floris III (1140-1190) meende de vredesonderhandelingen met de Westfriezen af te ronden maar opstanden bleven bestaan. Het lukte hem het verzet neer te slaan waardoor Wieringen en Texel weer onder grafelijk beheer kwamen en als inkomen een forse belasting van 4000 mark werd geheven. In het zuiden was het gebied bewesten Schelde leengoed van de graaf van Vlaanderen. De beoosten Schelde werd uitgebreid met het beheren van de Maasmonding en de handelsuitgang van de Rijn en dit werd een mogelijkheid voor tolheffing in Geervliet. Floris laat Vlaamse schippers tol betalen maar een boze graaf van Vlaanderen verklaart hem hiervoor de oorlog. In een verdrag van Brugge in 1167 wordt Floris na gevangenname gedwongen te beloven de Vlamingen geen tol te heffen en de graaf van Vlaanderen als opperleenheer te erkennen. Zeeuws-Vlaanderen komt volgens afspraak onder gemeenschappelijk bestuur van Vlaanderen en Holland. Na de dood van Floris III verovert Dirk VII Walcheren en krijgt van de Duitse keizer dan toch in 1195 de tol van Geervliet in handen.

De oorlogen met de West Friezen en de wisselende gevechten met het bisdom Utrecht over water en dijkbeheer bepaalden volledig zijn regeerperiode. Floris III kreeg met zijn overwinningen een aanzienlijke macht over Holland, delen van Zeeland en Midden-Friesland. Dankzij keizer Barbarossa ontvangt hij een gezamenlijk leen met de bisschop van Utrecht over Midden-Friesland en Hendrik I van Gelre wordt aangesteld als intermediair vice–graaf. Floris III bezit wel de hoogste rechtsmacht. Het gebied Westflinge blijft door opstanden en aanvallen van Friezen een probleemgebied. In 1180 ontstaan ernstige opstanden in West-Friesland met grote verwoestingen tot gevolg. De Friezen worden krachtig neergeslagen en in 1184 ontstaat er vrede. Floris kiest voor zijn residentie de plaats die hij strategisch het beste vindt en dat is Leiden. In 1162 was hij getrouwd met Ada van Schotland, de zuster van de Schotse koning Malcolm IV en zij kregen twaalf kinderen. Jaren later meende Floris V door dit huwelijk aanspraak te kunnen maken op de Schotse troon, het liep anders. Niet te vergeten was er altijd spanning met het graafschap Vlaanderen over de regio bewesten-Schelde. De Zeeuwse eilanden. Walcheren, Beveland en Zeeuws Vlaanderen kwamen onder druk van de keizer onder gemeenschappelijk beheer (het condominium).

Graaf Floris kon onmogelijk op alle fronten oorlog voeren en koos voor een tactische toenadering naar de bisschop in de Gooise opstanden. In die periode bood de graaf de bisschop zijn hulpaan en dankzij deze gewapende steun kon bisschop Godfried na een opstand van de dienstmannen in zijn gezag hersteld worden. Vanuit Utrecht komt meer steun. Zijn broer Boudewijn van Holland werd in 1178 tot 1196 bisschop. Deze positie bood een grote zekerheid in de plannen van Floris III. Het vechten zat hem in het bloed en een volgende gelegenheid tot strijden dient zich aan. De kruistocht roept de graven van de Lage Landen op mee te strijden. Hij keert niet meer levend terug naar Holland want zowel keizer Barbarossa als hij overlijden tijdens de tocht in 1190.

Dirk VII (11? -1203) en Willem I zonen van Floris III

In het Sticht en Bentheim en Holland bestond een broederlijke samenwerking waarin achtereenvolgens Floris III met zijn broers Boudewijn II (1178-1196) en Otto I van Bentheim regeerden. Deze situatie was een dreiging voor Gelre en deze zocht naar werende maatregelen. Floris had gedacht gevechten af te wenden door zijn dochter Margaretha te laten trouwen met Dirk van Kleef. Deze oplossing was tijdelijk want na de dood van Boudewijn II in 1196 ontstaat er toch een gewapende strijd tussen Floris III, zijn zoon Dirk VII en Otto I van Gelre om het bisschoppelijke bezit van Utrecht en het bestuur in het Oversticht. De bisschop bezat de leenrechten van Teisterbant de Bommelerwaard, Alblasserwaard, Krimpenerwaard en Lopikerwaard. Dirk VII was getrouwd met Aleid van Kleef maar de graaf van Kleef bleef neutraal met zijn leen in het Land van Heusden en Altena. Alleen met steun van keizer Hendrik VI (1190 -1197) lukte het Dirk Otto I van Gelre te verslaan. Om toch vrede langer te bewaren zijn huwelijken goed voor verzoening en Aleid van Holland zal trouwen met Dirk VII en Hendrik van Gelre, de zoon van Otto, zal zich verloven met Ada de dochter van Dirk VII.

Het verzet van de Westfriezen blijft nu worden zij aangemoedigd door zijn broer Willem. De Friezen in Drechterland “kiezen” een eigen graaf en Dirk VII verleent aan zijn broer Willem I na een gewapend conflictmet het leger van gravin Aleidhet bestuur van het graafschap van Midden-Friesland. Willem krijgt als graaf van Friesland met Texel een aanzienlijk gebied in zijn handen en trouwt de tienjarige Aleid van Gelre. De broers blijven in een cirkel van conflict en verzoening als elkaars tegenstander doorgaan. Het is een strijd waarin ook het bisdom Utrecht en Gelre betrokken zijn.

De inkomsten van de 300 pond tol uit Geervliet en het graafschap van Midden-Friesland lijken Dirk een waardige bestemming te geven..40 Dirk was echter met de uitbreiding van tollen op de riviermondingen te ver gegaan. Door de uitbreiding van de tol van Geervliet naar het oosten van Dordrecht in de Grote Waard komt hij in oorlog met de hertog van Brabant Hendrik I die hij verliest. Onderhandelingen over herstel van vertrouwen levert het hem slechts het leen van Dordrecht op. Een teleurstelling na eerdere overwinningen. Na deze strijd richt hij zich de organisatie van het binnenlands bestuur met verslaglegging en rechten in de laatste periode van zijn bestaan.41 Na de dood van Dirk VII in 1203 ontstaat er een strijd tussen zijn dochter Ada die gehuwd is met Lodewijk van Loon en Willem I over de erfopvolging van Holland, het komt tot de Loonse oorlog. Gravin Aleid had alles in het werk gesteld om de erfopvolging door Willem te verhinderen. Met hulp van een deel van de Hollandse adel, Zeeuwse adel en de Kennemers leek de korte strijd na een vlucht van de graaf van Loon naar Utrecht en Ada naar Leiden in 1203 gewonnen. Ada wordt naar Engeland verbannen. Van Loon komt na verloop van tijd terug met steun van de bisschop van Luik, de hertog van Limburg, Philips van Namen, de bisschop van Utrecht en de hertog van Brabant en zij veroveren een groot deel van Holland. Voor Willem ontstaat een wending in de strijd door zijn geslaagde herovering van de afgenomen gebieden. In 1205 leveren de gebieden Zeeland, Kennemerland en het Rijnland voldoende manschappen om het leger van Loon te weren. De bondgenoten van de heer van Loon blijken in de opvolgende jaren niet meer geïnteresseerd en haken een voor een af. Het gevolg was dat de oorlog in 1206 uitdooft en Ada mag van haar verbanning terugkeren mits zij afstand doet van haar rechten op het graafschap. Het aanzien van Holland was door deze oorlog veranderd was en het bezit en het grafelijke beheer in Friesland was verloren gegaan. De rechten van de bewesten-Schelde waren weer in handen van de Vlaamse graaf, slechts Tholen was leen gebleven. Willem heeft de steun van keizer Otto IV en Holland wordt allodiaal bezit en onder zijn druk worden de afspraken die bij het verdrag van Brugge over Zeeland in 1167 gemaakt werden weer nagekomen.

West-Friesland zou weer voor de nodige onrust zorgen na grafelijke bezoeken. De strijd met de Westfriezen lijkt nooit te eindigen. Dan richt Willem zich op het buitenland, de keizer Otto IV beleent hem met het graafschap Holland. Willem en de hertog van Brabant raken betrokken in de Duitse politiek. Hij wordt in de slag bij Bouvines in 1214 verslagen in zijn bondgenootschap met keizer Otto IV door de Franse bondgenoten die de Hohenstaufen Frederik II als toekomstige keizer steunden. Na zijn vrijlating en roemrijk kruistochtavontuur trouwt hij Maria van Brabant. Hij krijgt hierdoor de tol van Dordrecht en de erfrechten van de stad met omgeving, tezamen een aanzienlijke bron van inkomsten. Strategisch is Dordrecht en een belangrijke plaats.

Willem I, vernoemd naar William The Lion, de broer van zijn moeder, heeft gezien zijn levensloop van 1203-1222 een opmerkelijke reputatie opgebouwd als overlever in zijn functie van graaf van Friesland en graaf van Holland. Zijn strijd om Holland in de Loonse oorlog, zijn deelname aan de slag bij Bouvines met de gevangenschap in 1214 nadien, de expeditie tegen Engeland en zijn gevechten als aanvoerder kruisvaarder in Portugal en Damiate, hij overleefde alles.

De graven van Holland en Zeeland

In de regeerperiode van Floris IV (1222-1234) blijft het Friese noorden pogingen ondernemen zich af te scheiden van Holland en het Sticht. Floris houdt zich sterk bezig met het landbeheer. Hij streeft naar verbetering van de dijkbouw, ontginning en de organisatie in de stad en land. De handel wordt in de steden ondersteund door het verlenen van rechten in markt, nijverheid, stedelijke privileges en inrichting. Over midden Friesland was met Utrecht en Holland een gezamenlijk gezag geregeld en bij afwezigheid van de graaf bezat de bisschop de grafelijke rechten.

Landstreken buiten Holland konden een massale strijd veroorzaken. Een rampzalige gebeurtenis werd de slag bij de Ane waarbij in 1227 de graaf van Gelre, Gijsbrecht van Amstel III gevangen werden genomen door de mannen van de opstandige kasteelheer Rudolf van Coevorden en waarbij bisschop Otto met velen sneuvelde. Dit was een Stichtse aangelegenheid en Floris was hierin niet gemoeid. Rudolf wordt in 1230 verraderlijk vermoord. De Drentenaren verdienen voor hun verzet straf en bisschop Wilbrand van Oldenburg zet alles in het werk om eerst met hulp van de Friezen in de Fries-Drenthse oorlog 1231-1232 en daarna met een eigen leger in 1233 de Drentenaren te verslaan. In 1250 komt een belegering vanuit Friesland van de koopmansstad Groningen. Een wapenstilstand volgt en in 1258 werd een rechtsverdrag met Friesland opgesteld. Groningen kwam los van Drenthe en bleef een zelfstandig gebied in het Sticht.

De periode van kruistochten, maakt samenwerking mogelijk door invloed van de paus. Zoals vermeld werd deden de Friezen na de kruisprediking tegen Drenthe mee in de strijd. Vervolgens trekken zij samen met Brabant, Holland en Gelre op tegen een opstandig boerenvolk de Stedingers in 1233-1234. Floris trouwt met Machteld van Brabant de dochter van Hendrik I. Hij breidde zijn gebied uit met het land van Altena. In 1229 koopt hij van Dirk van Wassenaar een hof in Den Haag (die Haghe) waar een begin gemaakt wordt voor een grafelijk verblijf dat eerst als jachthuis diende. Samen met zijn sterk gelovige vrouw schenken zij in Loosduinen een cisterciënzerklooster. Hij verblijft regelmatig in ’s-Gravenzande en in het hof van Loosduinen. Zijn vrouw Machteld van Leuven had een hof in ’s-Gravenzande zijn zuster Margaretha bezat een hof en een klooster in Loosduinen.

Floris is in 1231 geridderd en is een liefhebber van vechtspelen. Helaas komt Floris in 1234 om in een toernooi in het Noord-Franse Corbie en ook hij werd in Rijnsburg begraven.

De eenheid in het Duitse rijk brokkelde in het westen af door het toegenomen gezag van het bisdom van Keulen, de eigenzinnige vorstendommen, de macht van de paus en de opkomende invloed van Vlaanderen. Holland en Vlaanderen zijn al jaren vijanden. Het werd lang zoeken naar een geschikte kandidaat die in het roomse keizerrijk weer eenheid kon brengen. De graven van Gelre en Holland verrijken zich met tolrechten, muntrechten en grensverleggingen. Dit gaat niet zonder het opwekken van weerstand bij de buren conflicten blijven. In het Duitse rijk staan keizer en paus tegenover elkaar. De Duitse vorsten kiezen wisselend partij voor Welfen en Staufen, het rijk is te groot om de eenheid te bewaren. In het zuiden kon keizer Frederik II een afzetting met een tegenkoning door pauselijk ingrijpen niet voorkomen en zijn strijd in Italië ging ten koste van de eenheid in de noordelijke Duitse staten. In 1247 bieden de rijksvorsten onder leiding van de bisschop van Keulen en gesteund door paus Innocentius IV de toekomstige keizerskroon aan de hertog van Brabant aan. Hij weigert deze vanwege de grote kans op de bijkomende gevaren van oorlog. Zijn neef de graaf van Holland acht hij hiervoor een betere kandidaat, maar dit wordt een dure aangelegenheid. Het zal ook een lange moeilijke weg worden. Rooms-koning Willem II werd uiteindelijk slechts door enkele kleine Duitse vorsten en bisschoppen gekozen en werd arm door betrokken betalingen en ontstane schulden. Wel krijgt hij hierin steun van een sterke bondgenoot. De paus financierde een groot deel van zijn ondernemingen en wist ook de Friezen te overtuigen de nieuwe vorst te steunen.

Het recht van investituur na Worms in 1122 werd met de aanvoer van pauselijke kandidaten vanuit Keulen in Utrecht strikt toegepast. Hendrik van Vianden, bisschop van Utrecht (1250-1267) was een onbetwist voorbeeld. Het toekomstig keizerschap van Willem II was aanvankelijk allerminst zeker want er waren veel tegenstanders onder de vorsten en geestelijken zoals Hendrik van Vianden, de bisschop van Utrecht. In 1247 werd Willem tot rooms-koning gekozen. Hoewel het Sticht als vijand grote bezwaren maakte zullen in het Duitse rijk door de pauselijke begunstiging van Willem II talloze staten zich verder achter hem scharen. De dood van de Staufen-keizer Frederik II brengt in 1250 de keizerskroon in zicht.

Willem II had goed oog voor de ontwikkeling van Holland. Het handelsverkeer, betalingen en voorzieningen werden door hem sterk bevorderd door het verlenen van stadsrechten zoals gebeurde in Haarlem, Delft en Alkmaar. Ook de Hoogheemraadschappen maken een belangrijk onderdeel uit van de economische groei in het graafschap. Het Hollandse gebied lag tussen twee twistgebieden. In het noorden West-Friesland en in het zuiden de bewesten-Schelde. Willem II trachtte zijn invloed te vergroten door zijn zuster Aleid met de eerste zoon van gravin Margaretha van Vlaanderen, Jan van Avesnes I te laten trouwen. Hij had zich er goed rekenschap van gegeven dat deze zoon zowel Henegouwen als Rijks-Vlaanderen wilde bezitten. Als rooms-koning ontnam hij de leenhulde aan Margaretha van Vlaanderen door te verklaren dat zij aan hem als koning leenhulde had nagelaten en zo geen rechten meer bezat. Dit bleef niet zonder gevolgen. Een oprukkend Vlaams leger werd verslagen en Willem bevestigde hiermee zijn rechten als leenheer. Jan van Avesnes verkreeg al voor de strijd de rechten van Vlaanderen en Namen. Willem II was niet van het idee te weerhouden dat hij eerst voor de ontvangst van zijn keizerskroon in het West-Frieze noorden zijn gezag moest herstellen. Het resultaat was slechts een kleine winst van land met de onderwerping van Ouddorp en Vronen. Als internationaal vorst had hij veel verplichtingen. Wegens zijn verbintenis met Jan van Avesnes in Henegouwen moest hij hem steunen om voor Vlaanderen de strijd aan te gaan tegen de machtige Karel van Anjou die oprukte naar Henegouwen. Het vechten op twee fronten kon slechts eindigen in een wapenstilstand in 1254. Het Vlaamse leger was verslagen en Willem kon zich terugtrekken.

In 1255 ondernam Willem II in de winter weer een veldtocht tegen de Westfriezen die voor hem noodlottig eindigde doordat hij zwaar bepakt door het ijs zakte en doodgeslagen werd bij Hoogwoud. De geschrokken Westfriezen hebben hem verscholen in een haardstee begraven.

Floris V

Het erfleen van Zeeland-bewesten-Schelde werd in een verdrag met Floris de Voogd en Guy an Dampierre in 1256 hersteld. Niet Floris de Voogd maar zijn neef Floris V zou een dochter van de Vlaamse graaf huwen en hiermee werden de erfrechten van leen bevestigd. De onervaren twaalfjarige graaf (1254-1296) ondernam in 1272 een Friese veldtocht die hij erbarmelijk verloor, de dood van zijn vader werd hierdoor niet gewroken. Talloze edelen vonden de dood.42 Het was echter wel een duidelijk teken van een militaire onjuiste inschatting. Ondanks de tegenslag lukte het hem vanuit de basis Alkmaar een dam over de Rekere aan te leggen en een dijk te bouwen in het moerasland tussen Oudorp en Alkmaar. Dit was onderdeel van een strategisch plan die bij omsingeling een uitweg bood vanuit West-Friesland naar Kennemerland.

Talloze spanningen teisterenden het Hollandse land. Kennemers die met een opstand zich verzetten tegen de edelen in verband met het lijfeigenschap en de belastingverhoging die door de graaf was ingesteld. Zijn raadsheer Jan Persijn onderdrukte een revolte in Waterland en in het Sticht was het voortdurend oorlog tussen de leenmannen en de bisschop. Gijsbrecht van Amstel de aanvoerder van de opstandelingen en aangesloten Kennemers wist in Utrecht het stadsbestuur met gilden voor zich te winnen. De Amstels en andere Stichtse edelen van Woerden en Abcoude waren daar de gezaghebbers totdat 1278 Nicolaas Cats de edelen verjoeg en de stad weer aan de bisschop overgaf. Bisschop Jan van Nassau raakte voortdurend in de problemen en werd de marionet van Floris. De verpanding aan Gijsbrecht van het slot Vreeland wegens zijn schulden aan de ridder werd een oorlog om het eigendom van het slot omdat de bisschop voor zijn inkomsten onrechtmatig tol ging heffen. De schulden werden door Floris V afgekocht, maar Gijsbrecht verklaarde de oorlog en na twee belegeringen kon hij pas zijn nederlaag erkennen en werd in 1287 gevangengezet. Het kasteel Vreeland werd van de bisschop van Utrecht door Floris V afgenomen.

De Kennemers kregen landrecht en bleven Floris V voortaan trouw. HijHijH koopt het Waterland en heeft hierdoor ruime toegang tot de Zuiderzee. De verdere schulden van de bisschop van Utrecht had hij afgekocht en in ruil hiervoor werd hij machthebber over het Nedersticht en ontving hierdoor alle inkomsten. Amstelland, Woerden en het Muiderslot kwamen in zijn bezit.

De graaf had het met zijn familieleden niet gemakkelijk. Zijn neven Floris van Avesnes en diens broer Jan van Henegouwen eisten voor de eerste het bestuur over Zeeland en het baljuwschap over Zuid-Holland. Een rechter moet hierin uitspraak doen en deze wijst het blijvend bezit van de Zeeuwse en Hollandse rechten aan de graaf toe. Bisschop Jan van Nassau wordt door grote schulden zijn gedienstige onderdaan en de graaf neemt de sloten Vredeland, Montfoort en talloze leengoeden van Diemen tot Bodegraven over. Na de vrijlating van Gijsbrecht en Arend van Amstel ontvangt Floris ook nog de Stichtse lenen Muiden en Muiderberg en zo worden zij zijn leenmannen en zijn de grenzen van het graafschap sterk verruimd.

Een verrassingsaanval in 1282 met landing in Wijdenes en Schellinkhout maakt, na een bloedige aanval waarbij 1200 Westfriezen sneuvelen, het voor Floris mogelijk grote delen van West-Friesland in te nemen. De oorlog houdt maar aan en hij ziet in dat wraak nemen op de Westfriezen geen oplossing biedt. Na de geslaagde expeditie met hulp van ridders uit Gelre en Kleef weet hij vrede te bewerkstelligen door Westfriezen rechten aan te bieden in ruil voor plichten tegenover de graaf. Deze maatregelen hadden ook in Kennemerland de hoognodige vrede gebracht. Om het gezag te garanderen worden dwangburchten in het Westfriese gebied opgericht om onverwachte nieuwe opstanden te weerstaan. In het zo vaak geteisterde gebied bij Alkmaar komen Nieuwburg, Middelburg bij het bestaande Torenburg en verder meer verspreid worden Nuwendoorn, Wijdenes en Medemblik (”Radboud”) in de periode 1282-1287 gebouwd. Hiermee wordt de toegangsweg van de rivier Rekere optimaal versterkt. De bouw vond plaats met een leger van werklieden, huislieden, uit omringende dorpen als een uniek grootschalig project waarbij als bakstenen “de kloostermoppen” gebruikt werden. De kloostermoppen werden vanuit de overzijde van de Zuiderzee per boot aangevoerd. Aangelegde dijken maakten snelle verplaatsing mogelijk. De dwangburchten lagen langs de 126 kilometer lange West-Friese Omringdijk. De grillige zee biedt nog meer steun in de overwinning. Toen grote overstromingen in 1287 de gebieden van de bewoners tot een ramp maakten kon de geteisterde bevolking zich alleen maar aan de graaf overgeven en het resultaat is dat West-Friesland geheel wordt onderworpen. Floris krijgt in 1289 de titel heer van West-Friesland.

(Afbeelding) In het wapen van de provincie Noord-Holland, dat voor de helft uit het wapen van West-Friesland bestaat, is dat tot de dag van vandaag nog te zien.

In de Limburgse successiekwestie kiest Floris de kant van Jan van Brabant, Jan van Nassau kiest voor Gelre. Een van de redenen is de familieband met Brabant. Deze oorlog duurde vijf jaar van 1283-1288 met pauzes van diverse bestanden en eindigde in de beslissende slag bij Woeringen. De uitkomst is dat Limburg aan Brabant werd toegevoegd, Als gevolg hiervan wordt Floris bevrijd van zijn leenplichten aan de Brabantse hertog leen in de heerlijkheid in Zuid-Holland aan beide zijden van het Hollands Diep. Het is een beloning voor zijn trouw aan de hertog van Brabant. In Zeeland neemt hij niet de graaf van Vlaanderen, maar de koning van Duitsland Rudolf als leenheer aan waardoor eerdere verdragen van Floris de voogd en Margaretha van Vlaanderen over de bewesten Schelde nietig verklaard worden. Adellijke privileges waren hierdoor geschonden en een Vlaams Zeeuws leger valt Middelburg binnen en een grote oorlog dreigt. Onderhandelingen in Biervliet lopen uit op een gevangenname van Floris en na diverse beloftes van herstel van voorrechten in een afgedwongen keur werd hij vrijgelaten. Eenmaal in Holland vergeet hij alle beloftes en weet opstandige edelen onderdanig te krijgen. Een 1295 opgezette Vlaamse invasie wordt verslagen en een vrede lijkt de toekomst. Zeeuwse edelen Wolfert van Borselen en Jan van Cruiningen keren terug naar het grafelijk hof. Helaas zal de beslissing om zich tegen de Engelse koning Edward te keren en vervolgens een verbond met de Franse koning aan te gaan hem noodlottig worden. Hij wordt van wege zijn gewaagde twijfelachtige landspolitiek door verraderlijke edelen vermoord.

In de jaren daarvoor meende Floris koning van Schotland te kunnen worden. Zijn aanspraken op de Schotse troon in 1292 werden niet door de ingestelde Engels-Schotse commissie aanvaard omdat Floris niet in staat was de benodigde documenten over zijn rechtmatigheid bij elkaar te krijgen. Hoewel iedereen wist dat zijn grootvader Floris III met Ada van Schotland in 1162 getrouwd was zou een vooringenomen zitting onder leiding van koning Edward anders beslissen.

De dwarsgestreepte gebieden op de kaart boven tonen de uitbreiding van het grafelijk bezit onder Floris V. Naar het oosten werden de veengebieden door het Sticht en Holland ontgonnen.

Floris heeft niet alleen door annexatie van gebieden zijn graafschap vergroot. Met inpoldering van grote stukken water in het noorden met dijkbeheer, maakte hij zijn land geschikt voor verbouwing en bewoning. Ook zijn invloed op het waterbeheer ten zuiden van het IJ en de bedijking in het Rijnland is een voorbeeld van goed bestuur. Dankzij een degelijk juridisch en administratief bestuur met baljuwen kon hij zijn grafelijke rechten in de verre uithoeken laten gelden. Deze rechtsgang was een vernieuwing in het grafelijk bestuur. De schouwing van de dijken vond plaats door de dijkgraaf en de Heemraad mochten het recht uitoefenden bij een dijkdoorbraak de bewoners van een dorp tot herstel te verplichten. Heemraden van het baljuwschap vormden een Hoogheemraad. De baljuw in het Rijnland werd de eerste dijkgraaf zal de schouwing doen met vier Heemraden.

Willem II verleende stadsrechten aan Arnhem, Haarlem, Delft, ’s Gravenzande, Zierikzee en Alkmaar. Floris V verleende rechten aan Wageningen, Gouda, Vlaardingen, Schiedam en Medemblik. In de geschiedenis van de steden komt veelal een kasteel voor dat eigendom is van de leenheer. Een belangrijk kasteel te Schiedam was het Huis te Riviere bewoond door zijn tante Aleid en haar zoon. Het fungeerde als economisch steunpunt en was strategisch gelegen als een wering tegen een mogelijke invasievloot uit Vlaanderen. Een ander voorbeeld was het kasteel van Muiden, dat fungeerde als tolpoort voor de handel uit Utrecht en over de Vecht. Naast e de kastelen die in het bezit waren van de graven van Holland, behoorden ook het Leidse Gravensteen, een vluchttoren in Leiden met daarnaast de hoeve huize Lokhorst, het grafelijk hof te Haarlem, gevestigd te Aelbertsberg (Bloemendaal), versterkingen in Middelburg en in Den Haag, het jachtslot ’t Huys te Vogelensang en een versterkt huis in ’s Gravenzande43 tot zijn bezittingen. Nog in onderzoek zijn vermoede grafelijke hoven in Loosduinen, Maasland, De Lier en Naaldwijk in Westland. (R. Peeters RUL). Buitelaar noemt ook nog Noordwijk, Pijnacker, Rodenrijs en Valkenburg.44

De kaart toont de waterinvloed in het noorden en westen, de onbezette moerassige gebieden in West-Friesland (deze zijn wit gekleurd). Het Sticht Utrecht is in het westen geheel omsloten door het graafschap Holland. De bisschoppelijke gebieden vormen een vijfde van het totaal in Oversticht, Utrecht, Luik en Kamerijk.

Uit de korte regeerperiode van graaf Jan I, die voornamelijk onder invloed van Wolfert van Borselen stond, is geen gebiedsuitbreiding van Holland bekend. Het Hollandse huis eindigt in 1299 en daarna volgt het samengaan van Henegouwen met Holland, dit is op de kaart groen gekleurd.

12.De kust en het water

De kust bestond in het Neolithicum aanvankelijk uit een strandwal. Door de stijgende zeespiegel na de ijstijd in West Nederland ging deze verloren, een proces van vele eeuwen. Meer landinwaarts ontstonden jonge duinen. De veengebieden ontstonden in het drassige achterland. Langs de rivieren ontstonden nederzettingen die nodig waren voor de scheepvaart en handel. Inpoldering en dijkaanleg vormen structuur van het achterland.

Pas sinds de negentiende eeuw zijn natuurrampen en stormvloeden echt goed gedocumenteerd. Deze hebben ook hun invloed gehad op het land dat zich in de lange periode van middeleeuwen zich vormde. In 838 zorgt de watersnood dat grote delen van Noordwesten van Nederland onderlopen en door het water verzwolgen worden. Met een vreselijke stormvloed op 28 september 1014 ontstaat een doorbraak van de kustlijn tussen Zeeland en Vlaanderen met duizenden doden. Bijna elke twintig jaar worden Holland, Zeeland en het Zuiderzeegebied geteisterd door zware stormen en overstromingen van rivieren. Bijvoorbeeld zoals dit in het zwaar getroffen noorden in 1163 gebeurde. Dit had een hongersnood tot gevolg. Een watervloed in 1170 komt zelfs tot de muren van Utrecht en krijgt de naam Aller Heiligen Vloed. Een stormvloed in 1214 op de Vlaams Hollandse kust scheidt Oost en West Voorne en hierdoor ontstaat de Haringvliet. In 1219 eist de Marcellusvloed in Vlaanderen 36.000 doden, gevolgd door stormvloeden in 1267 en de Sint Luciavloed in 1287. Deze watersnood veroorzaakt maximaal 80.000 doden en scheidt Friesland definitief van het westelijk deel en zo ontstaan de Waddeneilanden. Door de invloed van de zee ontstaan zeven à acht grote meren in West-Friesland met namen als Waardermeer, Schermer en Wormer. Het (Almere) Flevomeer krijgt door de opening naar de zee zout water. Bijna honderd jaar later bezwijken de dijken met de tweede Marcellusvloed en weer worden Holland en Zeeland zwaar getroffen. In de eeuwen daarna blijven waterrampen Nederland teisteren totdat een afsluitdijk en een deltaplan veiligheid bieden.

De Friese Gerulfingers vestigden zich in Kennemerland. De gebiedsuitbreiding ontstond met Maasland, het Rijnland en Texel. Het duurde tot de regeerperiode van Floris V alvorens West-Friesland een stabiel grafelijk domein werd. Willem I kreeg de aan Dirk VI ontnomen gebieden Westergo, Oostergo en Stavoren weer in leen en bezat hierdoor het grootste graafschap. Zijn zoon Floris IV en zijn opvolgers waren alleen graaf van Holland en Zeeland. Floris V was heer van Friesland. Alle graven hebben een hevige strijd gevoerd met de Westfriezen.

Met de expansie van de graven van Holland werd het niet alleen een strijd te land maar ook tegen het water gevoerd. Onderstaande afbeelding toont de Nederlanden tot 1400 met de invloed van de vernietigende werking van de zee. In vulkleur bruin is het grafelijk gebied te zien. De bruine band toont het na 1300 veranderde gebied tot 1428 in de tijd van de Bourgondiërs. (Afbeelding uit Hettema, Grote Historische Schoolatlas).

De afbeelding rechts laat de veengebieden zien. Door afgraving van de grote veengebieden kreeg het zeewater tijdens een overstroming ruim de gelegenheid zich in de lage gebieden te verspreiden.

Literatuur en bronnen.

Boer de, D.E. H. en Cordfunke, E.H.P. Graven van Holland (Zutphen 2010).

Buitelaar, M. Het grafelijk hof van Leiden in de Middeleeuwen, Bachelorscriptie, ARCH1043, Faculteit der Archeologie, (Leiden 2013).

Cock, de, J.K. De goederen van de Egmondse kerk in Alkmaar in veelvoud, Alkmaar historische reeks (Zutphen 1977).

Cordfunke, E.H.P. Begraven verleden, (Zutphen 2018).

Dijkhuis, B. e.a. Middeleeuwse dwangburchten van West Friesland en Alkmaar update 28-05-2020. www.dwangburchten.nl

Gouw, van der, J.L. Korte geschiedenis van de grenzen van de provincie Zuid-Holland, publicatie in het “Verslag van 1962 door Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten van Zuid-Holland “.

Gosses, I.H. en Japikse, N., handboek tot de Staatkundige Geschiedenis van Nederland, (’s - Gravenhage 1947).

Hettema, H. Grote Historische Schoolatlas, (Zwolle 1953).

Holland Historisch Tijdschrift, het ontstaan van het graafschap Holland 50ste jaargang nr. 4 2018, 194-312.

Horst, H van der, H. Een bijzonder land, het grote verhaal van de vaderlandse geschiedenis (Amsterdam 2008).

t Jong, H., de tombe van FlorisV ( Utrecht 2021).

Lugt, F., Het ontstaan van Leiden (Leiden 2012).

Nieuwenhuijsen, K, Strijd om West-Frisia, de ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland 900-1100 (Utrecht 2016).

Nieuwenhuijsen, K., Nederlandse Leeuw 126-2, 2009, p 29-36.

Reyen, van P.E., Middeleeuwse kastelen in Nederland, Fibula Reeks, (Bussum 1965).

Roever, de N., en Dozy, G.J. Het leven van onze voorouders (Amsterdam 1900).

Tuuk, van der L., Middeleeuwse geschiedenis van de Lage Landen De Franken (Utrecht 2021).

Tuuk van der L., Middeleeuwse geschiedenis van de Lage Landen De Friezen (Utrecht 2021).

Wiersma, R. Het verhaal der vaderlandse geschiedenis, (Amsterdam 1948).

Deel II

De geschiedenis van rooms-koning Willem II, graaf van Holland

Graaf Willem II, zijn eerste jaren.

Zijn geboortejaar moet tussen 1227 en 1228 zijn geweest als hij in Leiden ter wereld komt, gebaard door zijn moeder Machteld van Brabant. Willem de eerste zoon van de wilde graaf Floris IV moet op zeven jarige leeftijd in 1237 zijn vader missen, de graaf die gedood werd in een toernooi in Corbie. Floris IV wordt met gepaste eer thuis gebracht in Leiden en zal opgebaard worden in Gravensteen met de mis in de Pieterskerk. Zijn broer Floris en Adelheid waren daarbij aanwezig. De zuster van Willem II, Margaretha, werd enige maanden later geboren. Over de kinderen Hendrik en Machteld is verder weinig bekend. Zuster Aleid van Holland, gravin van Henegouwen, kreeg een grote reputatie in Schiedam door de bouw van het kasteel te Riviere en de weldaad voor de stad. De broer van Willem II, ook met de naam Floris zou als voogd voor Floris V optreden en wordt altijd als Floris de Voogd herinnerd.

Het is bijna onvoorstelbaar maar met zijn jonge leeftijd wordt Willem II graaf van Holland en zal bijgestaan worden door een raad bestaande uit Willem van Teilingen, Nicolaas Persyn, Wouter van Haarlem, Dirk van Wassenaar en Nicolaas van Putten.

De jonge Willem erfde een schuld aan de Abdij van Rijnsburg en ruilde dit in tegen goederen van het Sticht gelegen in Pijnacker en Haarlem. De graven waren in de 13e eeuw al erg jong verantwoordelijk. Zijn vader was op 12-jarige leeftijd in het ambt bevestigd, later zou dit ook Floris V overkomen Willem was 9 jaar. Ter nagedachtenis en het zielenheil van zijn vader werd in 1247 een kapel in Eikenduinen (bij Den Haag) gebouwd. Willem was in zijn leven zeer religieus en sterk betrokken bij de ontwikkeling van kerken en kloosters, ingegeven door de Brabantse tak van de familie en hun devotie. Voor zijn ambitieuze plannen mocht de steun van de kerk niet ontbreken. In het Duitse rijk kon hij promoveren. Oom Boudewijn van Holland was tot 1196 bisschop van Utrecht, Boudewijn I van Bentheim was tot 1248 burggraaf van Utrecht en zijn oom Otto was een krachtig bisschop van Utrecht van 1233-1249.

Willem koos in de lijn van zijn voorouders voor het zwaard en liet onderhandelen graag aan anderen over, hij hield liever van de hardheid van ijzer dan de glans van het goud. Voor de gebiedsuitbreiding had bij hoge adel nodig. De militante Duitse Orde kreeg het priesterschap over de kerk te Valkenburg met aangrenzende gebieden Katwijk en Maasland. Een verbijzondering hiervan is dat zijn bastaardzoon Dirk in 1303 nog vermeld wordt als landcommandeur van de Duitse Orde te Utrecht. Met de edelen in Zuid Holland maakt hij talloze regelingen en zij blijven hem trouw. Belangrijke vazallen zijn Nicolaas Persyn, Dirk van Alkemade en Hugo van Kralingen, die het Rijn en Gouwe gebied beheren. Haarlem voorziet hij van talloze privileges en neemt het Hof tot zijn bezit. Willem begiftigt in 1249 de bouw van het karmelietenklooster onder leiding van ridder Simon van Haarlem. Van oudsher waren de gebieden Delft, Schiedam (Aleid), Vlaardingen en Dordrecht strategisch belangrijke grafelijke steden.

Het noorden blijft altijd een gebied van strijd en daar laaien de conflicten met de Westfriezen weer op. Willem heeft gezorgd dat er vestingen zijn in Brederode en Egmond.45 Deze versterkingen beveiligen belangrijke wegen. Daarnaast zijn er de huizen en kastelen Ter Kleef, Aelbrechtsberg, Adrichem (Velsen) Lane, Cronenburg en Akersloot. Maar de Graaf vermeldt ook nieuwere burchten in de 13e eeuw zoals: Rolland, verbouwingen in Velsen, Beverwijk, Oosterwijk, Oud Haarlem, Marquette, Oudburg, Poelenburg en Torenburg. In feite waren dit preventieve burchten want grote conflicten vonden voor 1254 niet plaats.

Al met al verlopen zijn plannen niet zonder ruzie met de buren. Met Margaretha van Vlaanderen raakte hij in 1252 in conflict over Zeeland-bewesten-Schelde door de leenband te ontbinden en het gebied zich toe te eigenen. Een ontstane oorlog hierdoor wint hij en Margaretha zal weten dat Willem II, inmiddels koning, haar baas blijft. Vast besloten voor zijn kroning tot keizer de Friezen te onderwerpen valt hij hen in juli 1255 aan met twee legers onder leiding van hemzelf en Willem van Brederode aan. Beide legers zouden een omsingeling van het opstandige volk maken. Het plan mislukte doordat de gewaagde onderneming met de overtocht op het ijs tot een debacle leidde, want Willem zakte door het ijs op het Berkmeer en werd op 28 januari 1265 bij Hoogwoud vermoord.

Ook het andere leger werd op een paar man na genadeloos verslagen. Waarom Willem II de guerrillastrijd van de Friezen wilde aanpakken blijft speculeren want de als een snelle actie bedoelde aanval was een grove onderschatting. Wilde hij snel orde op zaken stellen en rust in het graafschap krijgen toen de taak van keizer in het Rijk binnen bereik was? Was het zuiver machtsvertoon, want de Friezen waren er niet op uit Holland te bedreigen? 46 Hij moest laten zien dat hij een minder volk kon verslaan. Melis Stoke heeft dan ook Willem een heroïsche dood gegeven.

Vele steden zoals Haarlem ( 1245), Delft (1246) ’s Gravenzande ( 1246) Dordrecht, Zierikzee en Alkmaar kregen door hem stadsrechten.’s Gravenhage, Haarlem en Alkmaar kregen grafelijke huizen. Dat zijn regeren niet zonder conflicten was getuigd een voorval in Utrecht. Hoewel hij geëerd werd als burger van de stad gooide een ontevreden Fries een steen naar het hoofd van Willem. Hij was woedend maar gelukkig escaleerde dit niet in een opstand. Of dit een reden was de Friezen een lesje te leren blijft een vraag. Naast de stadsrechten in diverse steden verleende Willlem voor de handel Noord-Duitse steden voorrechten om de handel naar Holland te bevorderen en weer handelsvoorrechten voor Hollandse kooplieden te krijgen. Het waterschap werd ontwikkeld en stadsbesturen werden moderner.

De Rijksstad Nijmegen was een aantrekkelijk bezit. Willem had grote schulden in de strijd om het koningschap en het beleg van Aken maakte hem zeer armlastig. Om de kosten te dekken verpandde hij Nijmegen voor 10.000 of 16.000 mark aan Gelderland. Door zijn vroegtijdige dood is deze schuld nooit ingelost en Nijmegen is altijd een Gelderse stad gebleven. Met de burgers kwam het tot een stevig treffen in de verdediging van de burcht. Zij wensten geen Gelderse graaf, maar een keizer. Willem keerde niet terug en zij moesten zwichten.

Het schild van Willem is een rode leeuw en een adelaar op goud met vermoedelijke datum van zijn kroning tot “Rooms koning” 47op 1 november 1248. De ets van Goltzius uit de 16e eeuw geeft een tweekoppige adelaar weer maar dit is voorbarig geweest. De rijksadelaar van Willem had één kop en dit is duidelijk op de zegels weergegeven. Later werd in 1433 door keizer Sigismund vastgelegd dat de koning een eenkoppige adelaar op zijn wapen kon plaatsen en de keizer een tweekoppige adelaar. D. Franckenberg neemt in zijn gekleurde afbeelding van koning Willem II uit 1885 ook een voorsprong op het keizerschap met de tweekoppige adelaar.

Zijn tante Ada van Holland was abdis van Rijnsburg in 1246. Zij was geen makkelijke tante en zij raakte in conflict met haar broer, de bisschop van Utrecht. De familie van Willem was sterk religieus betrokken. De ouders Floris IV en Machteld van Brabant tonen hun geloofsuitingen in het de schenking van cisterciënzer klooster van Loosduinen. Zij plaatsten een Mariabeeld in de Kerpelkerk te ’s- Gravenzande en het karmelietenklooster te Haarlem ontving ook een beeld. Zijn zuster Aleid begiftigde talloze kloosters en begijnhoven in Holland en Zeeland.

De ambities om koning te worden van het Heilige Roomse Rijk

In Duitsland ontstaat grote weerstand tegen de eis van de Hohenstaufen keizer Frederik II zijn zoon Koenraad IV tot opvolger te benoemen. Jan van Brabant draagt Willem als koning voor. Zijn tegenstander is de Zwaab Hendrik van Thuringen, maar die sterft in 1247 en de steun van de paus kon hem niet meer baten. De vraag doet zich voor is Willem II sterk genoeg om de grote tegenstand van de Duitse vorsten te overwinnen? Otto II van Gelre en hertog Jan wilden wel koning worden maar voelden er niets voor een leidsman van de lastige paus Innocentius te worden. In 1247 wordt Willem in Woeringen tot koning gekozen hoewel de nodige vorsten, bisschoppen en de regalia uit Aken voor de plechtigheid ontbraken. De bisschop van Keulen is dan een machtige steun voor hem. De koning kon volgens de wet alleen in Aken gekroond worden echter de stad werd bezet door zijn tegenstanders. Met de hulp van de Friezen kon Willem na vijf maanden beleg de stad veroveren en was in 1248 de kroning tot rooms-koning een feit. Zijn tegenstander koning Koenraad vertrekt in 1250 naar Italië en op 25 januari 1252 huwde Willem met Elizabeth van Brunswijk, dochter van Otto het Kind en Machteld van Brandenburg. Dit verstandshuwelijk geeft hem veel steun van de Welfse vorsten die hem voorheen nog geen vertrouwen hadden geschonken. Na de dood van Koenraad in 1252 wordt hij vrijwel algemeen als koning erkend.

Door de koningsmoord in Hoogwoud 1256 is de slag om West-Friesland mislukt. Het verstopte lijk van de rooms-koning wordt door zijn zoon gevonden en in 1282 begraven in het koor van de Abdijkerk te Middelburg. Het is opvallend dat er literatuur veel afbeeldingen van Willem II en van zijn zoon Floris te vinden zijn en zij zo verheerlijkt worden uit de rij van de overige graven. Van hun voorgangers zijn er maar weinig variaties gemaakt, zij zijn terug te vinden in de bundel van de Nieuwsbrief 2021-1.

Literatuur

Blokker, J e.a. Nederland in twaalf moorden ( Amsterdam 2008).

Graaf, de, R. Oorlog om Holland 1000-1375 (Hilversum 2004).

Vries, de, H., Het wapen van Willem II, rooms-koning en graaf van Holland (web 2003).

Meerman, J. Geschiedenis van graaf Willem van Holland rooms koning (’s Gravenhage 1784)

 Noten

1 Tuuk de Friezen 65.

2 Friezen als volksstam uit Germaanstaligen, Romeinen, Angelsaksen Bataven, Kaninefaten, Denen later Franken.

3 Tuuk de Friezen 97.

4 Tuuk de Franken 79-81 scherven van Frankisch aardewerk in Westergo en Oostergo.

5 Tuuk 206 gebieden door Lotharius I beleend

6 Klak-Haraldr in 852 vermoord door Saksen. Gudroor vermoord door Karel III de Dikke.

7 Commendatio is een rechtshandeling in de cliënt heer verhouding, een zwakkere biedt diensten aan of staat land af in ruil voor bescherming van de sterkere. Een Merovingisch gebruik van horigheid.

8 Karel de Grote gaf zijn rijk aan Lodewijk de Vrome. Zijn rijk werd in 840 verdeeld onder Lotharius van Italië, Pepijn van Aquitanië en Lodewijk de Duitser.

9 Harald Klak ( de bezoedelde) was een Deense koning, Harald de Jongere en Rorik waren zoons van zijn onbekende broer. Harald stierf in 842 en door zijn doop werd hij in eigen land verder geweigerd.

10 H. Jongbloed Jaarboek voor Middeleeuwse geschiedenis 2008, blz. 7-69. Godfrieds prefectuur tussen grote politiek en dynastieke competitie.

11 1996 ontdekte Deense Vikingschat opgeslagen in het museum van oudheden te Leiden.

12Blonk en Wijbenga, 91.

13 Nieuwenhuijsen, 18,19, een uitgebreide geschiedenis met de gijzeling van vrouwe Gisela, zuster van Hugo door de keizer en het opeisen van wijngaarden aan de Moezel door Godfried, werden de Deen noodlottig.

14 De Klerk 57-61. Met uitvoerigere beschrijvingen van Gerulf en Gardulf. Gerulf II is de eerste graaf van West- Frisia. Van Nieuwenhuizen en de Klerk verschillen in de benoemingen van het gravenhuis.

15 Alfred de Grote weet in 897 heel Engeland op East Anglia na (North en South Folk) op de Denen te veroveren.

16Nieuwenhuijsen, Historisch Tijdschrift Holland 04, 2018, 220

17 Gerulf II kleinzoon van Gerulf I een Viking of Fries? De stambomen van Jaekel en Dijkstra in2009 opnieuw beschouwd door van Nieuwenhuizen in de Nederlandse Leeuw 126-2, p.29-39.

18 Ned. Leeuw Nieuwenhuijsen 2009, 29-39.

19 De Roever, dl. I, er zou sprake zijn van een Frankische stam, verwant aan het Karolingische huis.

20 De Boer & Cordfunke, graven van Holland, 16.

21Goudskroniekje.

22De Cock, 139-146. Alkmaar historische reeks. Dirk stichtte in 929 te Hallum een nonnenklooster.

23 Klerk 75,76 van het huis Hamaland.

24 Koninklijke bibliotheek te ‘s –Gravenhage.

25 Nieuwenhuijsen 38, er bestaan grote twijfels of Dirk I gesneuveld is in de slag bij Andernach.

26 Nieuwenhuijsen, uitbreiding graafschap Dirk II, 63.

27Hüffer, 24.

28De Boer & Cordfunke, graven van Holland, 25.

29Tussen Zwammerdam en Bodegraven.

30Willibrord kerken in Vlaardingen, Oegstgeest, Velsen, Heiloo en Petten.

31 Hij annexeerde het gebied ten zuidoosten van Alphen tussen Zwammerdam en Bodegraven zich toe.

32 De Roever 300-301 overzicht van alle afgenomen gebieden ten tijde van Floris I die in feite al zijn land verloor. Sinds de ontvangst van de Franse koning in 923 van de Adelbertskapel in Egmond eigendom van Echternach, eigenden alle West-Friese graven zich de kerken toe. Het was in feite teruggave van eigendom.

33 Roever, deel 1, 254-257.

34 Velde 158 in feite was Dirk terug in de situatie van 944, koning Hendrik had geen goedkeuring gegeven in de leenverhouding van afgenomen achterleen. De geschiedschrijving is daarin niet eenduidig. De rechtspositie van Dirk was op zijn minst twijfelachtig.

35 Van 723-1086 was de vorming ingezet als prinsdom uit Drenthe Groningen de Betuwe en de Friese gouwen.

36 Klerk, 220, 223,224. De gouwen worden samengevat onder de naam Midden-Friesland.

37 Klerk 246

38 Buitelaar, 47 het hof werd gesticht voor 1121 in een leeg gebied.

39 Lugt 97-100

40 Het was in 1088 al overgedragen aan de bisschop, pas vanaf 1165 bezat de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht daar grafelijke rechten. Het betrof het ambtsgebied tussen West en Oost-Friesland ontstaan uit de gouwen Zuidergo, Oostergo en Westergo.

41 De Boer & Cordfunke 64, voorrechten in Dordrecht, Middelburg en Leiden.

42 ‘t Jong 102, de heren van Egmond, Utenhage,Uteneng,Haarlem, Raaphorst , Ever, een van Wassenaar en Wouter de Vriese.

43 In onderzoek door Stichting ons Bloemendaal. Cordfunke Begraven verleden, 46-47.

44 Buitelaar, 9. Leiden werd door Floris II tot hoofdstad van het baljuwschap Rijnland uitgeroepen.

45De Graaf 229.

46Blokker 78, Melis Stoke en Jacob van Maerlant overdreven de Friese agressie in hun werken sterk.

47 Iemand die door de keurvorsten van Duitsland tot Rooms Koning werd gekozen, was de beoogde troonopvolger van de zittende keizer.